ECLI:NL:RVS:2026:3302
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- M. den Heyer
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing proceskostenveroordeling minister asielprocedure
Appellant diende op 7 september 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam niet binnen zes maanden een besluit, waarna appellant de minister op 12 maart 2024 in gebreke stelde en beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen. De minister besloot op 11 maart 2025 de aanvraag alsnog toe te wijzen, waarna appellant het beroep introk en de rechtbank verzocht de minister in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank wees dit verzoek af omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend, aangezien de beslistermijn volgens de rechtbank pas op 7 november 2023 was aangevangen na onderzoek in het kader van de Dublinverordening.
Appellant stelde in hoger beroep dat de minister al vanaf 7 september 2023 verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag en dat de ingebrekestelling dus niet te vroeg was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de beslistermijn had vastgesteld op 7 november 2023 en dat het beroep ontvankelijk was. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
De Afdeling overwoog dat het onderzoek van de minister naar de toepasselijkheid van de Dublinverordening geen reden gaf om de beslistermijn te verlengen, omdat het voor de minister al duidelijk was dat Nederland verantwoordelijk was voor de behandeling. De proceskostenvergoeding van €1.868,00 betreft kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten.