ECLI:NL:RVS:2026:3308

Raad van State

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001432
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel

Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit, en legde de minister een dwangsom en proceskostenveroordeling op.

Appellant ging in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank over de toegepaste wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding bij opvolgende beroepen. De rechtbank had een wegingsfactor van 0,5 toegepast vanwege principiële rechtsvragen, terwijl bij toekomstige zaken een lagere factor van 0,25 zou gelden.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant geen belang had bij het hoger beroep omdat de minister inmiddels een besluit had genomen dat geheel tegemoetkwam aan de aanvraag en appellant geen bezwaar had gemaakt tegen dat besluit. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en hoefde de minister geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang heeft bij het hoger beroep tegen de proceskostenvergoeding.

Uitspraak

BRS.26.001432
Datum uitspraak: 11 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 februari 2026 in zaak nr. NL25.60290 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om alsnog een besluit te nemen, een dwangsom opgelegd en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 934,00.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Stoetzer-van Esch, advocaat in Lent, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep gaat uitsluitend over de proceskostenvergoeding voor het instellen van een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Appellant klaagt over het oordeel van de rechtbank dat zij bij toekomstige opvolgende beroepen niet tijdig op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wegingsfactor 0,25 ‘zeer licht’ en niet 0,5 ‘licht’ gaat toepassen. In het geval van appellant heeft de rechtbank echter nog wel wegingsfactor 0,5 toegepast, omdat er volgens de rechtbank in dit geval principiële rechtsvragen voorlagen die een wegingsfactor van 0,5 rechtvaardigde. Appellant heeft daarom geen belang bij het hoger beroep.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
3.        De minister heeft een besluit genomen en is daarin geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Appellant heeft niet laten weten het niet eens te zijn met dat besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026
977