ECLI:NL:RVS:2026:332

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202407569/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing naturalisatieverzoek van Surinaamse appellant wegens onvoldoende hoofdverblijf in Nederland

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een Surinaamse appellant die een verzoek om naturalisatie had ingediend. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had het verzoek afgewezen op basis van het feit dat de appellant in de vijf jaar voorafgaand aan zijn verzoek niet onafgebroken zijn hoofdverblijf in Nederland had gehad. De appellant, die sinds 4 januari 2019 een verblijfsvergunning had voor verblijf bij zijn Nederlandse partner, verbleef van 2 juli 2022 tot en met 9 maart 2023 in Suriname. De staatssecretaris oordeelde dat deze periode van afwezigheid de samenwoning met zijn partner had onderbroken, waardoor de appellant niet voldeed aan de vereisten van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De rechtbank Den Haag had eerder de afwijzing van de staatssecretaris bevestigd, en de appellant ging in hoger beroep.

Tijdens de zitting op 13 november 2025 werd de zaak behandeld, waarbij de appellant werd vertegenwoordigd door zijn advocaat. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht had geconcludeerd dat de appellant niet in aanmerking kwam voor de verkorte termijn van drie jaar voor naturalisatie, omdat hij niet aan de vereiste van onafgebroken samenwoning voldeed. De Afdeling bevestigde dat de staatssecretaris zich niet kon afwijken van de wettelijke bepalingen, en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering op de regels rechtvaardigden. De hogerberoepsgronden van de appellant werden verworpen, en de Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij de staatssecretaris geen proceskosten hoefde te vergoeden.

Uitspraak

202407569/1/V6.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2024 in zaak nr. 24/3182 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het naturalisatieverzoek) afgewezen.
Bij besluit van 26 maart 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 november 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft vanaf 4 januari 2019 een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn Nederlandse partner. Vanaf 4 maart 2019 staan [appellant] en zijn partner in de Basisregistratie Personen ingeschreven op hetzelfde adres. [appellant] heeft door familieomstandigheden van 2 juli 2022 tot en met 9 maart 2023 in Suriname verbleven. Zijn partner is met hem naar Suriname gereisd en na een paar weken weer terug naar Nederland gegaan. [appellant] heeft op 13 juli 2023 het naturalisatieverzoek ingediend.
2.       De staatssecretaris heeft het naturalisatieverzoek afgewezen, omdat [appellant] in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het naturalisatieverzoek niet onafgebroken zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad. Hierdoor voldoet [appellant] niet aan het vereiste van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN). Ook is volgens de staatssecretaris de verkorte termijn van drie jaar uit artikel 8, vierde lid, van de RWN niet op [appellant] van toepassing, omdat hij door zijn verblijf in Suriname in de periode onmiddellijk voorafgaand aan het naturalisatieverzoek niet drie jaar met zijn partner heeft samengeleefd. Er zijn volgens de staatssecretaris geen bijzondere omstandigheden, die maken dat hij [appellant] op grond van artikel 10 van de RWN alsnog het Nederlanderschap moet verlenen. De rechtbank is de staatssecretaris hierin gevolgd.
3.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Is de verkorte termijn van drie jaar van toepassing?
4.       [appellant] betoogt dat de staatssecretaris het naturalisatieverzoek had moeten inwilligen, omdat de verkorte termijn uit artikel 8, vierde lid, van de RWN wel op hem van toepassing is. De rechtbank heeft niet onderkend dat zijn tijdelijke verblijf van 2 juli 2022 tot en met 9 maart 2023 in Suriname de samenwoning met zijn partner niet heeft onderbroken. Hierbij is volgens [appellant] van groot belang dat hij in Suriname verbleef en Suriname qua taal en cultuur op Nederland lijkt. [appellant] wijst er verder op dat ondanks zijn verblijf in Suriname zijn verblijfsvergunning niet is ingetrokken, dat hij en zijn partner in deze periode dagelijks contact hadden en dat zij in deze periode een duurzame en exclusieve relatie hadden. Verder heeft [appellant] van 4 januari 2019 tot en met 4 januari 2022 drie jaar onafgebroken met zijn partner in Nederland samengewoond. Ook daarom voldoet hij aan het vereiste gesteld in artikel 8, vierde lid, van de RWN.
4.1.    De rechtbank is terecht de staatssecretaris gevolgd in zijn standpunt dat [appellant] niet in aanmerking komt voor toepassing van de verkorte termijn uit artikel 8, vierde lid, van de RWN. Om hiervoor in aanmerking te komen moet de verzoeker op grond van artikel 8, vierde lid, van de RWN in de drie jaar onmiddellijk voorafgaand aan het naturalisatieverzoek toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben en ten minste drie jaar onafgebroken samenwonen met een ongehuwde Nederlandse partner. [appellant] voldoet niet aan het vereiste van onafgebroken samenwoning, omdat hij van 2 juli 2022 tot en met 9 maart 2023 in Suriname heeft verbleven en in deze periode niet met zijn partner heeft samengewoond. De staatssecretaris vindt niet ten onrechte een periode van ongeveer acht maanden een substantiële periode van afwezigheid en mocht zich hierdoor op het standpunt stellen dat de samenwoning tussen [appellant] en zijn partner is onderbroken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2205, onder 3.2. Dat [appellant] in Suriname verbleef, tijdens zijn verblijf in Suriname een geldige Nederlandse verblijfsvergunning had, dagelijks contact met zijn partner had en dat zij een duurzame en exclusieve relatie onderhielden, maakt niet dat [appellant] wel aan de vereisten voldoet. Dit maakt namelijk niet dat [appellant] en zijn partner samenwoonden. Dat [appellant] stelt dat hij in het verleden wel drie jaar onafgebroken met zijn partner in Nederland heeft samengewoond, maakt ook niet dat de verkorte termijn van toepassing is. Op grond van artikel 8, vierde lid, van de RWN gelezen in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, moest [appellant] namelijk in de drie jaar voorafgaand aan het naturalisatieverzoek met zijn partner samenwonen.
4.2.    De hogerberoepsgronden slagen niet.
Is de afwijzing van het naturalisatieverzoek onevenredig of doen zich bijzondere omstandigheden voor?
5.       [appellant] betoogt verder dat het onevenredig is dat de staatssecretaris het naturalisatieverzoek heeft afgewezen. [appellant] betoogt dat de staatssecretaris op grond van het evenredigheidsbeginsel, met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) of op grond van artikel 10 van de RWN wegens bijzondere omstandigheden hem het Nederlanderschap had moeten verlenen. Deze bijzondere omstandigheden zijn volgens [appellant] dat hij Surinaams is, hij hierdoor weinig inburgering nodig heeft en dat de samenwoning en de relatie met zijn partner tijdens zijn afwezigheid niet zijn onderbroken.
5.1.    Zoals de Afdeling in de uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder 9.6 en 9.10, uiteen heeft gezet staat het toetsingsverbod er bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan in de weg dat een bepaling uit een wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en ander ongeschreven recht. De staatssecretaris heeft het besluit tot afwijzing van het naturalisatieverzoek genomen op basis van een gebonden bevoegdheid in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 8, vierde lid, van de RWN. Dit is een wet in formele zin. De Afdeling kan daarom niet toetsen aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en het evenredigheidsbeginsel. Omdat het om bepalingen uit een wet in formele zin gaat, kon de staatssecretaris hiervan ook niet afwijken met toepassing van artikel 4:84 van de Awb. Artikel 4:84 van de Awb gaat namelijk over beleidsregels.
5.2.    In de hiervoor genoemde uitspraak van 1 maart 2023 heeft de Afdeling onder 9.11 uiteengezet dat aanleiding kan bestaan voor zogenoemde contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht. Dat is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen, die de wetgever niet of niet ten volle heeft verdisconteerd in zijn afweging en door deze bijzondere omstandigheden het toepassen van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht dat toepassing hiervan achterwege moet blijven. [appellant] heeft alleen in algemene zin gesteld dat de afwijzing van zijn naturalisatieverzoek voor hem nadelig is. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling niet dat toepassing van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 8, vierde lid, van de RWN zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing hiervan achterwege moet blijven.
5.3.    De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de staatssecretaris zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat zich geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 10 van de RWN voordoen. In de Handleiding RWN, paragraaf 1 van het beleid voor artikel 10 van de RWN, staat dat het uitgangspunt is dat deze bepaling de mogelijkheid biedt om in zeer bijzondere gevallen af te wijken van bepaalde in de RWN gestelde vereisten. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van een van de landen van het Koninkrijk zich voordoen. Ook om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende vereisten voor naturalisatie. De staatssecretaris heeft zich gelet op dit beleid redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het onvoldoende bijzonder is dat [appellant] uit Suriname komt, de Nederlandse taal spreekt en de Nederlandse normen en waarden in belangrijke mate deelt. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de relatie met zijn partner heeft voortgeduurd. Ook hoefde de staatssecretaris in deze omstandigheden geen reden te zien om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het in de Handleiding RWN neergelegde beleid af te wijken.
5.4.    De hogerberoepsgronden slagen niet.
Heeft de staatssecretaris in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn en de hoorplicht gehandeld?
6.       [appellant] betoogt ten slotte dat de afwijzing van het naturalisatieverzoek in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en dat de staatssecretaris de hoorplicht heeft geschonden. Deze hogerberoepsgronden zijn zo goed als een herhaling van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.3 en 7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
6.1.    De hogerberoepsgronden slagen niet.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
887-1127
BIJLAGE
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 8
1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker
[…]
c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;
[..]
4. De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is, tenzij het Nederlanderschap eerder is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid.
[…]
Artikel 10
Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.