AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursdwang opgelegd voor herstel en ontruiming gemeentelijk monument in Bunde
Het college van burgemeester en wethouders van Meerssen legde op 23 september 2021 een last onder bestuursdwang op aan appellant, eigenaar van een gemeentelijk monument in Bunde, om diverse gebreken en overtredingen te herstellen. Dit betrof onder meer reparatie van het dakschild, verwijderen van losliggende dakpannen, vrijmaken van verkeersroutes en verminderen van opgeslagen goederen.
De rechtbank Limburg vernietigde delen van het besluit en matigde het kostenverhaal. Het college stelde het kostenverhaal en de last deels bij in vervolgbesluiten. Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van 3 mei 2022 en het besluit van 14 november 2023.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college terecht bestuursdwang toepaste voor herstel van het dak en het vrijmaken van verkeersroutes vanwege brandveiligheid en monumentenzorg. De begunstigingstermijn van zes weken is redelijk. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat het plaatsen van hekwerken bestuursdwang betrof en mag de kosten daarvan niet verhalen. De overige kosten zijn terecht vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 14 november 2023 wordt deels gegrond verklaard.
De Afdeling veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten aan appellant en bevestigt het belang van zorgvuldige motivering bij kostenverhaal en bestuursdwangbesluiten.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond, maar kostenverhaal voor hekwerkplaatsing vernietigd en proceskosten toegekend.
Uitspraak
202306245/1/R1.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Bunde, gemeente Meerssen
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 augustus 2023 in zaak nr. 22/1310 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Meerssen.
Procesverloop
Bij besluit van 23 september 2021 heeft het college [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd om tien geconstateerde overtredingen op het perceel [adres] in Bunde te beëindigen. Daarbij heeft het college vermeld dat, als [appellant] de last niet tijdig uitvoert, het college de last zal uitvoeren en de kosten daarvan op hem zal verhalen.
Bij besluit van 3 mei 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 23 september 2021 met aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Bij besluit van 30 mei 2022 heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 19.536,10 en deze kosten bij [appellant] in rekening gebracht.
Bij uitspraak van 28 augustus 2023 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 3 mei 2022 vernietigd voor zover dat gaat over de lasten onder a, b en d en het college opgedragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft het besluit van 30 mei 2022 vernietigd, zelf in de zaak voorzien door het bedrag van het kostenverhaal vast te stellen op € 7.566,34 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde kostenverhaalsbesluit.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 14 november 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 23 september 2021 herroepen voor zover daarin is gelast om de hoeveelheden opgeslagen goederen in de overige ruimten zo te verminderen dat de vloeren van de verdieping en de zolder niet meer onder spanning staan. Het college heeft het besluit van 23 september 2021 voor het overige, voor zover dat niet eerder is ingetrokken, met aanvulling van de motivering in stand gelaten. Verder heeft het college de door [appellant] verschuldigde kosten vastgesteld op een bedrag van € 10.035,43.
[appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 14 november 2023.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
Bij besluit van 23 februari 2026 heeft het college de last over de dakranden en dakgoten ingetrokken (lees: herroepen).
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door R.L.M. Baltesen, is verschenen.
De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen de specificatie van de in rekening gebrachte ambtelijke kosten voor toepassing van bestuursdwang over te leggen.
Dat heeft het college gedaan bij brief van 13 april 2026.
[appellant] is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Omdat geen van de partijen heeft laten weten gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. [appellant] is eigenaar en bewoner van de woning aan de [adres] in Bunde. Dit pand is een gemeentelijk monument. Naar aanleiding van de bevindingen van een toezichthouder van de gemeente bij een inspectie van de woning op 10 maart 2021 heeft het college op 16 maart 2021 aan [appellant] laten weten dat het van plan is om handhavend op te treden vanwege achterstallig onderhoud aan het pand.
Op 3 september 2021 heeft een controlebezoek plaatsgevonden waarbij de toezichthouder van de gemeente, de politie Eenheid Limburg, de GGD, Bureau Trajekt en een door de gemeente ingeschakelde constructeur de woning zijn binnengetreden. Naast de constatering dat [appellant] geen werkzaamheden aan het dak had verricht, is bij de controle gebleken dat over de oppervlakte van de gehele woning veel spullen waren opgeslagen en de woning ernstig was vervuild door onder meer dierenuitwerpselen. De toezichthouder heeft zijn bevindingen vastgelegd in een inspectierapport van 7 september 2021, voorzien van fotomateriaal. De constructeur heeft op 6 september 2021 een rapport van zijn bevindingen opgesteld.
Op grond van deze bevindingen en het advies van de Brandweer Veiligheidsregio Zuid-Limburg van 14 september 2021 heeft het college geconcludeerd dat de geconstateerde situatie in strijd is met artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet, de artikelen 7.10 en 7.16 van het Bouwbesluit 2012 en met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 10, tweede lid, van de Erfgoedverordening 2009 Gemeente Meersen (Erfgoedverordening).
3. Het college heeft daarom in het besluit van 23 september 2021 [appellant] gelast om binnen zes weken de volgende maatregelen te treffen:
(a) het dakschild van het pand zo te (laten) repareren dat er sprake is van een waterdicht en winddicht dak;
(b) de losliggende dakpannen te (doen) verwijderen en vervangen of indien mogelijk weer op hun oorspronkelijke plaats te (laten) bevestigen;
(c) de verkeersroutes in het pand vrij te (laten) maken en te houden van obstakels;
(d) de hoeveelheden opgeslagen goederen in de overige ruimten zo te verminderen dat de vloeren van de verdieping en de zolder niet meer onder spanning staan, de mogelijkheden tot ontvluchting bij brandgevaar worden hersteld en de vuurbelasting in het pand drastisch wordt verminderd;
(e) het pand te (laten) reinigen en te laten ontsmetten vanwege de ter plaatse geconstateerde dierenuitwerpselen.
Verder heeft het college [appellant] gelast om binnen twaalf weken de volgende maatregelen te treffen:
(f) de grote scheuren bij het raam in de achtergevel van het pand te (laten) repareren;
(g) de losse stenen in de achtergevel van het pand te (laten) verwijderen en vervangen dan wel vast te (laten) zetten;
(h) de afwerking van de gevels aan te (laten) pakken om het indringen van regenwater te voorkomen;
(i) de dakranden/dakgoten te (doen) verwijderen en vervangen door nieuwe dakranden/dakgoten;
(j) alle buitenkozijnen van de ramen in de gevels van het pand te (laten) vervangen door nieuwe houten buitenkozijnen met dezelfde raamindeling en kleurstelling.
4. Op 8, 9 en 10 november 2021 heeft het college feitelijk uitvoering gegeven aan de last onder bestuursdwang voor zover daaraan een begunstigingstermijn van zes weken was verbonden.
Met het besluit van 15 november 2021 heeft het college de opgelegde last onder bestuursdwang ingetrokken voor zover die gaat over het vervangen van de buitenkozijnen van de ramen (j). Met het besluit van 7 september 2022 heeft het college de opgelegde last onder bestuursdwang ook ingetrokken voor zover die gaat over de hiervoor onder f, g, h vermelde herstelmaatregelen. Voor zover de last gaat over de onder i vermelde herstelmaatregel over de dakranden/dakgoten, heeft het college deze alleen gehandhaafd voor wat betreft de naar de openbare weg gekeerde dakrand/ dakgoot. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat deze dakrand/dakgoot gedeeltelijk loshangt en daardoor een gevaar kan opleveren voor de openbare veiligheid.
Als gevolg van deze intrekkingsbesluiten gaat het in de beroepsprocedure bij de rechtbank dus alleen nog over de onder a, b, c, d, e en i vermelde onderdelen van de opgelegde last onder bestuursdwang.
5. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd voor zover het gaat over de onder a, b en d vermelde herstelmaatregelen. De rechtbank heeft hierover geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd welke overtreding ten grondslag ligt aan de in onderdeel d van het besluit opgelegde last om de opgeslagen goederen zo te verminderen dat de vloeren van de verdiepingen en de zolder niet meer onder spanning staan. Ook heeft het college naar het oordeel van de rechtbank de aan het besluit verbonden begunstigingstermijn van zes weken voor de onderdelen a, b en d onvoldoende gemotiveerd.
In verband met deze vernietiging konden de gemaakte kosten van toepassing bestuursdwang wat betreft de onderdelen a, b, en d naar het oordeel van de rechtbank niet op [appellant] worden verhaald. Ook heeft het college naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de kosten van het plaatsen van een hekwerk en alle kosten van het vrijmaken van de verkeersroutes op [appellant] verhaald. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om het kostenverhaalsbesluit te vernietigen en het bedrag terug te brengen tot € 7.566,34.
6. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die onderdeel is van deze uitspraak.
Omvang van het geschil in hoger beroep
7. [appellant] heeft in hoger beroep gronden aangevoerd over onderdelen van de oorspronkelijk opgelegde last die door de latere intrekkingsbesluiten van 15 november 2021 en 7 september 2022 niet meer aan de orde zijn. De Afdeling zal deze hogerberoepsgronden dan ook buiten beschouwing laten.
Dat geldt ook voor de aangevoerde hogerberoepsgrond over het door het college geplaatste hekwerk. De rechtbank heeft in de uitspraak overwogen dat het plaatsen van het hekwerk geen onderdeel vormt van de aan [appellant] opgelegde last onder bestuursdwang, zodat de in verband hiermee gemaakte kosten niet zijn gemaakt in het kader van de uitvoering van bestuursdwang. Tegen het oordeel van de rechtbank dat het college deze kosten daarom niet met de kostenverhaalsbeschikking op [appellant] mocht verhalen is het college niet opgekomen. Daarmee staat dat oordeel tussen partijen vast en heeft [appellant] al bereikt wat hij met deze beroepsgrond beoogt. Overigens keren die kosten voor het hekwerk hierna wél terug, maar dan niet bij de bespreking van [appellant]’ hoger beroep, maar bij zijn beroep tegen het besluit van 14 november 2023 dat het college heeft genomen na de uitspraak van de rechtbank.
Ook met de aangevoerde hogerberoepsgronden dat er wat betreft de opgeslagen goederen op de vloeren geen sprake is van een overtreding en dat de aan de last verbonden begunstigingstermijn van zes weken voor de onderdelen a, b en d te kort is, heeft [appellant] het daarmee beoogde resultaat al bereikt. Dus heeft hij geen belang bij beoordeling daarvan. De rechtbank heeft deze onderdelen van het besluit op bezwaar namelijk vernietigd. Verder heeft het college met het besluit van 23 februari 2026 de in onderdeel i opgenomen last over de dakrand/dakgoot herroepen. Ook op dat punt is niet gebleken dat [appellant] belang heeft bij een beoordeling van de hogerberoepsgronden. De Afdeling zal daarom ook deze beroepsgronden niet bespreken.
Zoals de Afdeling op de zitting heeft vastgesteld, betekent dit dat het in hoger beroep alleen nog gaat over de onder a, b en c vermelde onderdelen van de opgelegde last onder bestuursdwang, de aan de onderdelen c en e verbonden begunstigingstermijn en het resterende kostenverhaalsbesluit.
De opgelegde last onder bestuursdwang
Het dakschild (a) en de dakpannen (b)
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden vanwege gebreken aan het dakschild en de dakpannen op de woning. Hij heeft over het dak aangevoerd dat op basis van het inspectierapport van 7 september 2021 niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een overtreding. [appellant] bestrijdt verder dat het intreden van water via het dakschild een gevaar vormt voor het voortbestaan van het monument uit 1880. Bij de inspectie op 3 september 2021 is namelijk gebleken dat de dakconstructie geen natte plekken of schimmelvorming vertoont. Ook heeft het college volgens [appellant] niet aangetoond dat er als gevolg van loszittende dakpannen sprake was een gevaarlijke situatie rondom de woning.
8.1. Bij een controlebezoek op 10 maart 2021 heeft de toezichthouder geconstateerd dat er diverse dakpannen van het dak zijn afgevallen en er ook nog diverse dakpannen op het dak losliggen. Gelet op deze bevindingen heeft het college [appellant] op 16 maart 2021 in kennis gesteld van het voornemen om hiertegen handhavend op te treden. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de losliggende pannen, die van het dak kunnen vallen, gevaarlijk kunnen zijn voor de buren of passanten en [appellant] in strijd handelt met artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet als hij deze situatie niet direct beëindigt. Daarnaast kan het regenwater langs de ontbrekende en losliggende dakpannen het pand binnendringen waardoor het voortbestaan van het monument in gevaar kan komen. Door het dakschild niet direct te repareren, handelt [appellant] volgens het college daarom ook in strijd met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo in samenhang met artikel 10, tweede lid, van de Erfgoedverordening.
De toezichthouder heeft vervolgens bij een controle op 7 april 2021 geconstateerd dat de dakpannen terug zijn gelegd en dat er nog één losse dakpan op het dak ligt. Naar aanleiding van een klacht heeft de toezichthouder op 29 juni 2021 een nieuw controlebezoek uitgevoerd. Bij deze controle heeft hij geconstateerd dat er weer een dakpan van het dak is afgevallen en dat er een dakpan los op het dak ligt. Bij brief van 27 juli 2021 heeft het college vervolgens aan [appellant] laten weten dat het dak uiterlijk 1 september 2021 op een duurzame wijze hersteld moet zijn.
Tijdens het controlebezoek van 3 september 2021 heeft de toezichthouder vastgesteld dat [appellant] na de laatste controle op 29 juni 2021 geen werkzaamheden aan het dak heeft verricht. Uit het rapport van bevindingen van de constructeur volgt verder dat aan de achterzijde van het pand enkele dakpannen ontbreken. [appellant] betwist deze bevindingen van de toezichthouder en constructeur niet. Gelet hierop is het college er naar het oordeel van de Afdeling bij de oplegging van de last terecht van uitgegaan dat er ten tijde van de controle op 3 september 2021 op het dak van de woning dakpannen loszaten en ontbraken.
De rechtbank heeft verder terecht geconcludeerd dat het college goed heeft gemotiveerd dat de loszittende dakpannen een gevaar voor de veiligheid kunnen zijn. Zoals het college in zijn besluit heeft vermeld, kunnen loszittende dakpannen van het dak van de woning vallen, ook in de openbare ruimte. Dit is ook al enkele keren gebeurd. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] in strijd met artikel 1a van de Woningwet handelt door de dakpannen niet vast te zetten.
[appellant] betwist niet dat regenwater langs de loszittende en ontbrekende dakpannen in zijn woning kan komen. Maar hij stelt dat het monumentale pand hierdoor niet in gevaar wordt gebracht. Voor de juistheid van dat standpunt heeft de rechtbank terecht geen grond gezien. Weliswaar vertoonde de dakconstructie bij de controle op 3 september 2021 geen natte plekken of schimmelvorming, maar de Afdeling ziet in wat [appellant] aanvoert geen aanleiding om te twijfelen aan de toelichting van het college dat binnentredend regenwater op de langere termijn schade aan het gemeentelijk monument kan veroorzaken. Dit volgt ook uit het rapport van bevindingen van de constructeur waarin staat dat het met het oog op de duurzaamheid van de (dak)constructie belangrijk is dat het dak waterdicht is en dat de ontbrekende dakpannen daarom zo snel mogelijk opnieuw moeten worden aangebracht. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat sprake is van strijd met de artikelen 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 10, tweede lid, van de Erfgoedverordening doordat [appellant] heeft nagelaten het beschadigde dakschild te repareren.
Het betoog faalt.
De verkeersroutes in het pand (c)
9. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden vanwege de opgeslagen spullen op de verkeersroutes in de woning. Hij bestrijdt dat er sprake is van een brandgevaarlijke situatie in de woning. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij nauwelijks gas of stroom gebruikt.
9.1. Dit betoog slaagt niet. Uit de foto’s bij het inspectierapport van 7 september 2021 en het advies van de brandweer volgt dat goederen zijn opgeslagen op de verkeersroutes in het pand. De brandweer heeft hierover in het advies vermeld dat dit de ontvluchting van aanwezige personen in het gebouw belemmert. Ook wordt hierdoor het redden van personen en/of dieren bij brand belemmerd en kan het een gevaar opleveren voor hulpverleningsdiensten als zij het pand moeten betreden, aldus het advies. [appellant] heeft deze bevindingen niet betwist. Het college heeft zich op basis van deze bevindingen terecht op het standpunt gesteld dat de vluchtmogelijkheden en bereikbaarheid voor hulpdiensten in geval van brand worden belemmerd door de opslag van spullen, wat in strijd is met het Bouwbesluit.
10. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank had moeten onderkennen dat hij de verkeersruimtes al op 6 november 2021 heeft vrijgemaakt en hij daarmee aan dit deel van de last heeft voldaan. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat uit de bij het proces-verbaal van 15 november 2021 gevoegde foto’s niet blijkt dat de verkeersroutes onveilig zijn. Als wordt geoordeeld dat niet aan de last is voldaan, stelt [appellant] dat de herstelmaatregel over de verkeersroute in het bestuursdwangbesluit onvoldoende duidelijk is omschreven. Omdat het college in het besluit niet heeft vermeld wat de vrij te maken verkeersruimtes in het pand zijn, kon hij niet weten welke ruimtes hij moest leegruimen.
10.1. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel [appellant] voorafgaand aan het controlebezoek op 8 november 2021 aan de last had voldaan door de verkeersroutes zo op te ruimen dat de loop- en vluchtroutes in het pand begaanbaar zijn voor hulpdiensten. Uit de foto’s die de toezichthouder 8 november 2021 heeft gemaakt, is op te maken dat dit niet het geval is.
De Afdeling stelt vast dat [appellant] de grond over de onduidelijkheid van de last niet in beroep heeft aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich hier niet voor. De gehandhaafde brandvoorschriften uit het Bouwbesluit hebben namelijk ook tot doel om de brandweer zijn werk goed te kunnen laten doen en het redden van personen en dieren niet te belemmeren. De Afdeling zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.
Het betoog slaagt niet.
Evenredigheid
11. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank had moeten oordelen dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is. [appellant] heeft in hoger beroep volstaan met een herhaling van wat hij daarover in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat de omstandigheden die [appellant] aanvoert niet maken dat handhavend optreden onevenredig is en het college daarom had moeten afzien van handhaving. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen 40 tot en met 43 waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling verwijst hier kortheidshalve naar. Het betoog slaagt niet.
Begunstigingstermijn
12. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank had moeten oordelen dat de begunstigingstermijn voor het vrijmaken van de verkeersroutes (c) te kort was, slaagt ook niet. De brandweer heeft geadviseerd om de verkeersroutes binnen twee weken vrij te maken. De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] is benadeeld door de langere termijn van zes weken die het college aan deze last heeft verbonden en dat [appellant] daarnaast onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat de termijn te kort is om de last uit te voeren. De Afdeling ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen.
Het kostenverhaalsbesluit
13. In het besluit van 30 mei 2022 heeft het college de kosten vastgesteld voor de toegepaste bestuursdwang. Het gaat daarbij om de kosten van de verrichte dakwerkzaamheden, het plaatsen van hekwerken, de reinigingswerkzaamheden, het vrijmaken van verkeersroutes en vloeren en de ambtelijke kosten. In totaal heeft het college een bedrag van € 19.536,10 bij [appellant] in rekening gebracht.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de kosten van de dakwerkzaamheden (€ 717,00), van het plaatsen van de hekwerken (€ 1.752,09) en een gedeelte van de ontruimingskosten (€ 9.500,67) niet op [appellant] kan verhalen. Over de ontruimingskosten heeft de rechtbank overwogen dat het bedrijf [ontruimingsdienst]. het voor de reiniging en ontruiming in rekening gebrachte bedrag van € 14.251,01 op de facturen niet heeft gespecificeerd over de posten reiniging en ontruiming. De rechtbank heeft de op [appellant] te verhalen kosten geschat op 1/3 van de door [ontruimingsdienst] opgegeven kosten. Dit zijn de kosten van reiniging en ontsmetting van het pand vanwege dierenuitwerpselen en van het ontruimen van de vluchtroutes voor zover de noodzaak daartoe aanwezig kan worden geacht. De kosten voor de ontruiming van de overige delen van het pand, zoals de vloeren en spullen waarvan onvoldoende is aangetoond dat daardoor de vluchtroutes worden belemmerd, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden verhaald. Gelet op voorgaande heeft de rechtbank het in de kostenverhaalsbeschikking opgenomen totaalbedrag vastgesteld op € 7.566,34.
14. [appellant] betoogt dat de rechtbank tot een verdergaande matiging van de door het college op hem verhaalde kosten van de toegepaste bestuursdwang had moeten overgaan. Daarover heeft hij aangevoerd dat het college ten onrechte kosten van de reiniging van de woning in rekening heeft gebracht, aangezien de woning helemaal niet is schoongemaakt. Daar komt nog bij dat de door [ontruimingsdienst] in rekening gebrachte kosten voor de reiniging en ontruiming van de woning niet reëel zijn. [appellant] acht het niet aannemelijk dat dat werk 106 uren heeft gekost. Hij wijst er verder op dat er nodeloze kosten zijn gemaakt doordat de afgevoerde containers niet vol zaten, zoals blijkt uit de foto’s bij het proces-verbaal van 15 november 2021. Ook vindt hij de in rekening gebrachte kosten in verband met het leegstorten van de containers excessief. Over de door het college in rekening gebrachte ambtelijke kosten heeft [appellant] aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd hoe deze kosten zijn opgebouwd.
14.1. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de kosten voor de reinigingswerkzaamheden niet in rekening heeft kunnen brengen. Uit de foto’s die zijn gevoegd bij het proces-verbaal van 15 november 2021 van de ontruiming maakt de Afdeling op dat de dierenuitwerpselen van de vloeren zijn verwijderd en dat dus wel reinigingswerkzaamheden zijn uitgevoerd. Voor de juistheid van de stelling dat [ontruimingsdienst] te veel werkuren heeft gedeclareerd en containers halfvol zijn afgevoerd, ziet de Afdeling ook geen aanknopingspunten. De toezichthouder is gedurende de feitelijke toepassing van bestuursdwang de hele tijd aanwezig geweest. Hij heeft bevestigd dat het aantal in rekening gebrachte uren juist is. De Afdeling ziet in wat [appellant] aanvoert geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dat geldt ook voor de toelichting van het college dat de foto’s bij het proces-verbaal van 15 november 2021 een momentopname zijn en dat alle vijf containers vol zijn afgevoerd. In de enkele stelling van [appellant] dat de stortkosten voor grof huishoudelijk afval voor particulieren veel lager is dan de in rekening gebrachte stortkosten ziet de Afdeling verder geen aanleiding om te twijfelen aan de door [ontruimingsdienst] in rekening gebrachte stortkosten. Het betoog faalt in zoverre.
14.2. Het betoog slaagt waar het gaat over de in rekening gebrachte ambtelijke kosten. Het college heeft voor de inzet van ambtenaren een bedrag van € 2.816,00 bij [appellant] in rekening gebracht. [appellant] betoogt terecht dat het college in het besluit niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe dit bedrag is opgebouwd, terwijl hij in zijn zienswijze over dit besluit wel heeft gezegd dat hij bedenkingen heeft bij deze kosten en niet kan controleren waarom die zo hoog zijn. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd voor welke werkzaamheden gemeentelijke ambtenaren zijn ingezet en welk uurtarief van de ambtenaren hierbij in aanmerking is genomen. Het kostenverhaalsbesluit is daarmee ook op dit punt in strijd met artikel 3:46 vanPro de Awb onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
Met de in hoger beroep gegeven specificatie van de bij [appellant] in rekening gebrachte ambtelijke kosten heeft het college alsnog inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden zijn verricht in verband met de uitvoering van de last en welk uurtarief van de gemeentelijke ambtenaren daarbij in aanmerking is genomen. [appellant] heeft deze specificatie niet betwist. Met de overgelegde specificatie heeft het college alsnog voldoende gemotiveerd hoe de in rekening gebrachte ambtelijke kosten zijn opgebouwd. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college deze kosten niet bij [appellant] in rekening heeft mogen brengen. Dit brengt met zich dat het terecht voorgedragen betoog over de ambtelijke kosten niet leidt tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank heeft namelijk het bedrag van het kostenverhaal, zij het op dit laatste punt op onjuiste gronden, terecht vastgesteld op € 7.566,34. Voor een verdergaande matiging van de verhaalde kosten dan de rechtbank heeft gedaan, bestaat dan ook geen aanleiding.
Uitvoering van de bestuursdwang
15. [appellant] heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde grond dat er bij de feitelijke uitvoering van de bestuursdwang op 8, 9 en 10 november 2021 sprake is geweest van onrechtmatig optreden en onregelmatigheden herhaald. Deze grond gaat over feitelijk handelen dat niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb. Omdat de burgerlijke rechter bevoegd is om daarover te oordelen, kan wat [appellant] op dit punt aanvoert niet bij de beoordeling van de besluitvorming worden betrokken en dus ook niet leiden tot vernietiging van het besluit. Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroep
16. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet, met verbetering van de gronden waarop hij berust, worden bevestigd.
Het beroep tegen het besluit van 14 november 2023
17. Met het besluit van 14 november 2023 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar. Het college heeft het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de last onder d om de hoeveelheden opgeslagen goederen in de overige ruimten zo te verminderen dat de vloeren van de verdiepingen en de zolder niet meer onder spanning staan. Het college heeft het besluit van 23 september 2021 op dat punt herroepen. De last onder d blijft wel gehandhaafd voor zover daarin is opgenomen dat de hoeveelheid opgeslagen goederen in de overige ruimten zo moet worden verminderd dat de mogelijkheden tot ontvluchting bij brandgevaar worden hersteld en de vuurbelasting in het pand drastisch wordt verminderd. Het college heeft de overige bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 23 september 2021 voor het overige, voor zover niet eerder ingetrokken, onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Het college heeft de hoogte van het op [appellant] te verhalen bedrag vastgesteld op € 10.035,43.
18. Dit besluit wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Dat wil zeggen dat van de zijde van [appellant] van rechtswege een beroep tegen dit besluit is ontstaan, aangezien daarbij aan zijn bezwaren niet tegemoet is gekomen.
De begunstigingstermijn voor de last over het dakschild (a), de dakpannen (b) en opgeslagen goederen (d)
19. [appellant] betoogt dat het college de aan de last verbonden begunstigingstermijn van zes weken voor de reparatie van het dak en het opruimen van de opgeslagen goederen nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat de door de gemeente ingeschakelde bedrijven de werkzaamheden aan het dak binnen een dagdeel en de ontruimingswerkzaamheden in een tijdsbestek van drie dagen hebben uitgevoerd, betekent volgens [appellant] niet dat een termijn van zes weken voldoende is. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat hij de werkzaamheden zelf zou verrichten en dat dit gelet op zijn medische situatie niet mogelijk is binnen zes weken.
19.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, geldt bij de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze niet wezenlijk langer mag zijn dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen beëindigen. Voor de vraag of een begunstigingstermijn redelijkerwijs kan worden gesteld, is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1846. Het college heeft aan de lasten a, b en d een begunstigingstermijn van zes weken verbonden. Het college heeft verwezen naar de tijdsduur die het uiteindelijk heeft gekost om de reparaties uit te voeren. Dat ging om een paar dagen. Daarmee is aannemelijk dat de duur van zes weken genoeg is om de lasten uit te voeren of te laten uitvoeren. [appellant] slaagt er niet in twijfel te zaaien bij de juistheid van dat standpunt van het college. Als hij daar zelf niet toe in staat was, had [appellant] de hulp van derden kunnen inschakelen bij de uitvoering van de opgelegde lasten. Niet gebleken is dat [appellant] dat heeft gedaan. Zoals uit de uitspraak van de rechtbank blijkt, heeft [appellant] ook geen gebruik gemaakt van de door Bureau Trajekt aangeboden hulp bij de uitvoering van de lasten.
Het betoog slaagt niet.
Hekwerken
20. [appellant] betoogt verder dat het college in het besluit van 14 november 2023 ten onrechte het plaatsen van de hekwerken heeft aangemerkt als toepassing van spoedeisende bestuursdwang en dat het de kosten hiervan dus ook ten onrechte op hem heeft verhaald.
20.1. Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling onder 7 heeft overwogen, staat het oordeel van de rechtbank dat het college de kosten van het plaatsen van het hekwerk niet met de kostenverhaalsbeschikking op [appellant] mag verhalen, in rechte vast. Het college moet dit oordeel bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar in acht nemen. Door de kosten in verband met het plaatsen van het hek in het besluit van 14 november 2023 toch op [appellant] te verhalen, heeft het college ten onrechte geen uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Als het college dat wilde, had het maar hoger beroep moeten instellen tegen de uitspraak van de rechtbank.
Overige gronden
21. Waar [appellant] de in hoger beroep aangevoerde gronden tegen de uitvoering van de bestuursdwang en de in rekening gebrachte reinigings- en ontruimingskosten herhaalt, verwijst de Afdeling naar wat daarover bij de beoordeling van het hoger beroep is overwogen. Die betogen slagen niet.
Conclusie beroep
22. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 14 november 2023 is gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd voor zover daarin de kosten voor het plaatsen van het hekwerk (€ 1.752,09) in rekening zijn gebracht. Het besluit blijft voor het overige in stand. Dat betekent dat het door het college te verhalen bedrag € 8.283,34 (€ 10.035,43 - € 1.752,09) is.
Proceskosten
23. Het college moet proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meerssen van 14 november 2023 gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meerssen van 14 november 2023, kenmerk 665738, voor zover daarbij een bedrag van € 1.752,09 voor de kosten van het plaatsen van een hekwerk op [appellant] wordt verhaald;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Meerssen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
604
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b
Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
een monument als bedoeld in een zodanige verordening:
1°.te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of
2°.te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
Woningwet
Artikel 1a
1. De eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.
2. Een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.
[…].
Bouwbesluit
Artikel 7.10
Onverminderd het bij of krachtens dit besluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor:
a. brandgevaar wordt veroorzaakt, of
b. bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt.
Artikel 7.16
Onverminderd het bij of krachtens dit besluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen te veroorzaken waardoor:
a. melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd;
b. het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd, of
c. het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd.
Erfgoedverordening 2009 gemeente Meerssen
Artikel 10
1. Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen. Dit verbod geldt niet voor handelingen die verband houden met of voortvloeien uit de op grond van lid 2 vergunde werken en werkzaamheden.
2. Het is verboden zonder vergunning van het college:
a. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
b. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.