ECLI:NL:RVS:2026:3379
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en verzoek opvang asielzoeker
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 29 augustus 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 22 april 2026 ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat uit het verzoek geen spoedeisend belang blijkt, aangezien verzoeker uitstel van vertrek heeft tot 12 september 2026. Hierdoor is het verzoek om een voorlopige voorziening niet gerechtvaardigd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek dan ook afgewezen en de minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 12 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier. Hiermee blijft de afwijzing van de verblijfsvergunning en de uitzetting voorlopig ongewijzigd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.