ECLI:NL:RVS:2026:3379

Raad van State

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002428
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en verzoek opvang asielzoeker

Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 29 augustus 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 22 april 2026 ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat uit het verzoek geen spoedeisend belang blijkt, aangezien verzoeker uitstel van vertrek heeft tot 12 september 2026. Hierdoor is het verzoek om een voorlopige voorziening niet gerechtvaardigd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek dan ook afgewezen en de minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 12 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier. Hiermee blijft de afwijzing van de verblijfsvergunning en de uitzetting voorlopig ongewijzigd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

BRS.26.002428
Datum uitspraak: 12 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 22 april 2026 in zaak nr. NL25.17516 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het verzoek van verzoeker geen spoedeisend belang blijkt voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat hij uitstel van vertrek heeft tot 12 september 2026.
3.        De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026
979