Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3388

Raad van State

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002097
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:64 AwbArt. 59b Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep tegen bewaring asielzoeker

Appellant werd op 30 maart 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde in hoger beroep dat hij zijn asielaanvraag op 30 maart 2026 had ingetrokken, terwijl het dossier een latere datum vermeldde.

De Afdeling bestuursrechtspraak constateerde dat de rechtbank in strijd met artikel 8:64, vijfde lid, Awb had gehandeld door uitspraak te doen zonder appellant te wijzen op zijn recht op een nadere zitting. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Vervolgens beoordeelde de Afdeling het beroep inhoudelijk aan de hand van de door appellant in hoger beroep aangevoerde feiten.

Uit nadere informatie van de minister bleek dat appellant pas op 3 april 2026 bij de Dienst Terugkeer en Vertrek had verklaard zijn asielaanvraag te willen intrekken, en tijdens een gehoor op 7 april 2026 had verklaard dit toch niet te willen. Er was geen bewijs dat appellant dit al op 30 maart 2026 had gedaan. De Afdeling achtte de bewaring daarom niet onrechtmatig en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.002097
Datum uitspraak: 12 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 april 2026, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 24 april 2026, in zaak nr. NL26.18840 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 21 april 2026, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 24 april 2026, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Het hoger beroep
1.        Appellant klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank in strijd met artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gehandeld, door uitspraak te doen zonder dat hij is gewezen op zijn recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 15 april 2026 geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. De rechtbank heeft vervolgens zonder een nadere zitting te houden het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan op 21 april 2026. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt niet dat de rechtbank partijen heeft gewezen op hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord en hen in de gelegenheid heeft gesteld om binnen een door de rechtbank gestelde redelijke termijn te verklaren of zij gebruik willen maken van dit recht. De grief slaagt.
2.        Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de maatregel beoordelen in het licht van wat appellant in hoger beroep alsnog heeft aangevoerd. Dat betekent dat de Afdeling moet beoordelen of wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd de maatregel onrechtmatig maakt.
Het beroep
3.        Appellant is op 30 maart 2026 in bewaring gesteld krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 (bewaring van asielzoekers). Appellant klaagt in beroep over het voortduren van de maatregel op deze grondslag. Hij heeft in beroep gesteld dat hij zijn asielaanvraag op 30 maart 2026 weer heeft ingetrokken, terwijl uit het dossier zou volgen dat hij pas op 3 april 2026 heeft verklaard dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken.
3.1.        Omdat er onduidelijkheid bestond over de datum waarop appellant te kennen heeft gegeven dat hij zijn asielverzoek wilde intrekken, heeft de minister op verzoek van de rechtbank op 15 april 2026 nadere informatie verstrekt. De minister heeft toegelicht dat appellant op 3 april 2026 bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) te kennen heeft gegeven dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken, dat hij daarom op 7 april 2026 is gehoord in het kader van het omzetten van de maatregel van bewaring en dat hij tijdens dat gehoor heeft verklaard dat hij zijn asielaanvraag toch niet wilde intrekken. Appellant heeft er in zijn reactie van 16 april 2026 op gewezen dat daarmee nog geen duidelijkheid is gekomen over de vraag of hij ook al op 30 maart 2026 heeft verklaard dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. Daarnaast heeft hij geklaagd dat er geen verslag van het gesprek met de DT&V op 3 april 2026 is en heeft hij daarom verzocht om de voortgangsrapportage van de DT&V aan het dossier toe te voegen. In reactie daarop heeft de minister op 17 april 2026 nog twee stukken overgelegd. Een e-mail van 16 april 2026 van de medewerker van de Koninklijke Marechaussee die de maatregel heeft opgelegd, waarin zij verklaart dat appellant op 30 maart 2026 niet te kennen heeft gegeven dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. En een voortgangsrapportage van de DT&V van 17 april 2026, waaruit blijkt dat appellant op 3 april 2026 zijn asielaanvraag wilde intrekken.
3.2.        Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat appellant zijn asielaanvraag heeft ingetrokken op 30 maart 2026. Uit de door de minister overgelegde informatie blijkt dat appellant op 3 april 2026 wel te kennen heeft gegeven dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. Tijdens het gehoor op 7 april 2026 is duidelijk geworden dat de asielwens van appellant nog altijd aanwezig was. Appellant klaagt dat niet duidelijk is geworden wat de reden voor het gesprek met de DT&V op 3 april 2026 was, maar dat laat onverlet dat uit de door de minister verstrekte nadere informatie volgt dat appellant niet op 30 maart 2026, maar pas op 3 april 2026 heeft verklaard dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de juistheid daarvan moet worden getwijfeld. Het betoog faalt.
4.        In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
5.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Met overname van wat de rechtbank over de andere beroepsgrond heeft overwogen, verklaart de Afdeling het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 april 2026, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 24 april 2026, in zaak nr. NL26.18840;
III.        verklaart het beroep ongegrond;
IV.        wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026
918