ECLI:NL:RVS:2026:3418
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft op 5 november 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep van verzoeker op 18 mei 2026 ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat zijn verstrekkingen per 16 juni 2026 worden beëindigd.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat vanwege het feit dat de termijn voor het instellen van hoger beroep nog niet is verstreken, het treffen van een voorlopige voorziening op zijn plaats is. Deze voorziening houdt in dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is beslist.
Daarnaast wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, welke geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot een bedrag van € 934,00. De uitspraak is gedaan op 12 juni 2026 door voorzieningenrechter N. Verheij in aanwezigheid van griffier L. van Vulpen.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.