ECLI:NL:RVS:2026:3429
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na niet-ontvankelijkheid
Op 10 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 27 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het hoger beroep beoordeeld en de motivering van de rechtbank overgenomen, waarbij is vastgesteld dat het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
De voorzieningenrechter heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee is de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag definitief bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen, waarmee de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag verblijfsvergunning asiel definitief is bevestigd.