Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3435

Raad van State

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
202505249/1/V2.
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering en risico vervolging

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 23 april 2025 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 12 september 2025. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellant niet gelijkgesteld kan worden aan andere leden van dezelfde politieke groep die wel een vergunning kregen, waarmee het gelijkheidsbeginsel niet juist is toegepast. Daarnaast is onvoldoende onderzocht of appellant als afvallige bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft, terwijl landeninformatie hierover geen eenduidig beeld geeft.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en het besluit van de minister, en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beslissing. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing.

Uitspraak

202505249/1/V2.
Datum uitspraak: 15 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 september 2025 in zaak nr. NL25.19601 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Taheri, advocaat in Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Appellant klaagt in zijn tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Appellant heeft in zijn zienswijze en in beroep twee concrete gevallen genoemd van andere leden van ‘Tales of a Revolution’, die volgens appellant dezelfde politieke activiteiten hebben verricht als hij, en die wel een asielvergunning hebben gekregen. Het was onder deze omstandigheden aan de minister om te motiveren dat geen sprake is van gelijke gevallen. Ter vergelijking wijst de Afdeling op haar uitspraak van 15 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1118, onder 3.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kon de minister daarom niet volstaan met de motivering dat hij elke aanvraag op zijn eigen merites beoordeelt. De tweede grief slaagt.
2.       In zijn derde grief klaagt appellant over het oordeel van de rechtbank dat hij als afvallige bij terugkeer naar Iran geen gegronde vrees heeft voor vervolging. In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat hij loopt door zijn afvalligheid bij terugkeer naar Iran, slaagt. Dit betekent dat de derde grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 23 april 2025. Omdat de minister opnieuw een besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 september 2025 in zaak nr. NL25.19601;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 23 april 2025, V-[...];
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026
936-1127