Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3439

Raad van State

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002547
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang in Landelijke Vreemdelingenvoorziening

Verzoekers zijn geïnformeerd door de minister van Asiel en Migratie dat hun opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening per 1 januari 2025 wordt beëindigd. Tegen deze beslissing hebben zij bezwaar gemaakt, dat door de minister ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank de beroepen van verzoekers eveneens ongegrond. Verzoekers gingen in hoger beroep en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overweegt dat het hoger beroep nader onderzoek vereist en dat de voorlopige voorziening nodig is om de belangen van verzoekers te waarborgen. Daarom wordt bepaald dat verzoekers aanspraak houden op hun huidige opvang totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die verzoekers hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Verzoekers behouden hun recht op opvang totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.002547
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 april 2026 in zaken nrs. 25/17059, 25/18643 en 25/17085 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij brieven van 8 oktober 2024 heeft de minister verzoekers geïnformeerd dat hij de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening per
1 januari 2025 beëindigt.
Bij besluiten van 21 augustus 2025 en 11 september 2025 heeft de minister de daartegen door verzoekers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft schriftelijke uiteenzettingen gegeven. Verzoekers hebben daarop gereageerd.
Overwegingen
1.        Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij aanspraak hebben op hun huidige opvang totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers aanspraak hebben op hun huidige opvang, totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
941-1118