ECLI:NL:RVS:2026:3443

Raad van State

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
202404427/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.17 Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gebruikswijziging bedrijfswoning naar burgerwoning zonder negatieve gevolgen

Het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 mei 2024 is ongegrond verklaard door de Raad van State. De Afdeling Bestuursrechtspraak bevestigt dat de omgevingsvergunning slechts een wijziging van het gebruik van een bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk maakt, zonder dat de woning wordt gewijzigd of uitgebreid.

De Raad overweegt dat de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer nog steeds van toepassing zijn en dat de omschakeling naar een burgerwoning geen extra geluidsgevoelige functie oplevert. De woning was al een geluidsgevoelig object volgens artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Er is geen sprake van geluidshinder door de bedrijfsvoering, mede omdat er geen klachten zijn en de achtergevel een geluidsafschermende werking heeft.

Daarnaast oordeelt de Afdeling dat er geen uitbreidingsmogelijkheden zijn richting de woning, aangezien het perceel vrijwel volledig bebouwd is en het bouwvlak geen ruimte biedt voor uitbreiding. Verhoging van de bestaande bebouwing is beperkt door omliggende woningen. Het hoger beroep wordt verworpen en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202404427/1/R2.
Datum uitspraak: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Liempde, gemeente Boxtel,
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 13 mei 2024 in zaak nr. 23/2021 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.
Openbare zitting gehouden op 2 juni 2026 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. M.A. Graaff-Haasnoot
jurist: mr. S.M. Klein
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door mr. S.J.H.G.M. Schils, advocaat in Urmond;
Het college, vertegenwoordigd door mr. L.L. van Dalsen-Croes, G.J.E. van den Biggelaar en N.M. Keuzenkamp.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 13 mei 2024 van de rechtbank Oost­-Brabant.
Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
De Afdeling motiveert dit als volgt:
1.       De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gebruikswijziging geen negatieve gevolgen heeft voor de bestaande bedrijfsvoering van [appellante]. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, maakt de omgevingsvergunning alleen een wijziging van het gebruik van een bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk. De woning wordt niet gewijzigd of uitgebreid en daarom moet op de plek van de woning nog steeds aan de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit worden voldaan. In de aan het besluit van 5 juli 2023 ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing is beschreven dat de omschakeling naar een burgerwoning geen extra geluidsgevoelige functie oplevert. De woning was vóór de gebruikswijziging ook al een geluidsgevoelig object in de zin van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Over de bestaande bedrijfssituatie overweegt de Afdeling dat uit wat [appellante] heeft aangevoerd niet volgt dat door de bedrijfsvoering die het bestemmingsplan toestaat bij de woning geluidshinder optreedt. Daarbij betrekt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft opgemerkt dat (a) meerdere woningen tegenover het bedrijf van [appellante] liggen, (b) geen klachten uit de omgeving bekend zijn en (c) de achtergevel van [appellante] een geluidsafschermende werking heeft. Omdat geluidshinder niet vast is komen te staan, is geen aanvullend akoestisch onderzoek vereist. De uitspraken waarnaar [appellante] verwijst, zijn geen reden om er anders over te oordelen. In die uitspraken ging het om de vaststelling van bestemmingsplannen, waarbij nieuwe functies (zoals wonen) mogelijk werden gemaakt. In dit geval is alleen sprake van een gebruikswijziging van een woning.
2.       Over de eventuele uitbreidingen van het bedrijf van [appellante] overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen uitbreidingsmogelijkheden zijn in de richting van de woning aan de [locatie]. De achterzijde van het perceel van [appellante] is bijna helemaal volgebouwd. Er is een klein stuk van het perceel over dat op dit moment nog niet is bebouwd, maar op dit stuk ligt geen bouwvlak. Het bouwvlak is verder volledig bebouwd. Het betoog van [appellante] dat er nog vijf meter uitbreidingsruimte over is, volgt de Afdeling dan ook niet als het gaat om bouwen in de breedte of de diepte. Op de zitting is aangevoerd dat de bestaande bebouwing kan worden verhoogd van ongeveer zes naar tien meter, maar ook dan gelden de beperkingen die voortvloeien uit de andere omliggende woningen. De woning aan de [locatie] is niet de maatgevende woning.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graaff-Haasnoot
griffier
531-1167