Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3468

Raad van State

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
202601574/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake beëindiging opvang in Landelijke Vreemdelingenvoorziening

De minister van Asiel en Migratie heeft betrokkene per brief van 8 oktober 2024 geïnformeerd dat de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening per 1 januari 2025 wordt beëindigd. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat de minister op 21 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen en bepaald dat de minister geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen voordat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist.

De voorzieningenrechter heeft de belangen van beide partijen afgewogen en geoordeeld dat het belang van de minister bij opschorting zwaarder weegt. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 17 juni 2026 door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter.

Uitkomst: De minister hoeft geen nieuw besluit op bezwaar te nemen voordat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist.

Uitspraak

202601574/2/V1.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 april 2026 in zaak nr. 25/17183 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij brief van 8 oktober 2024 heeft de minister betrokkene geïnformeerd dat hij de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening per 1 januari 2025 beëindigt.
Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.       Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
941-1118