ECLI:NL:RVS:2026:3472

Raad van State

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002785
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 15 Richtlijn tijdelijke beschermingArt. 3.1a Vb 2000Art. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn tijdelijke bescherming

De minister van Asiel en Migratie heeft bij besluit van 14 april 2025 vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 19 september 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die op 8 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het vereiste dat een gezinslid afhankelijk moet zijn van de persoon die al tijdelijke bescherming geniet, rechtstreeks volgt uit de Richtlijn en de implementatie daarvan in het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank had geen aanvullend vereiste gesteld dat niet uit de richtlijn volgt.

De Afdeling zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, mede omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.002785
Datum uitspraak: 19 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 mei 2026 in zaak nr. NL25.50222 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2025 heeft de minister vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming.
Bij besluit van 19 september 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Anders dan appellant heeft betoogd in grief 2, is het vereiste dat het gezinslid afhankelijk moet zijn van de persoon die al tijdelijke bescherming geniet, rechtstreeks afkomstig uit artikel 15, eerste lid, onder b, van de Richtlijn tijdelijke bescherming, zoals geïmplementeerd in artikel 3.1a, eerste lid, onder d, van het Vb 2000. De rechtbank heeft door dit te overwegen dus geen aanvullend vereiste gesteld dat niet uit de richtlijn volgt.
1.1.        Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026
846