ECLI:NL:RVS:2026:3472
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn tijdelijke bescherming
De minister van Asiel en Migratie heeft bij besluit van 14 april 2025 vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 19 september 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die op 8 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het vereiste dat een gezinslid afhankelijk moet zijn van de persoon die al tijdelijke bescherming geniet, rechtstreeks volgt uit de Richtlijn en de implementatie daarvan in het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank had geen aanvullend vereiste gesteld dat niet uit de richtlijn volgt.
De Afdeling zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, mede omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.