ECLI:NL:RVS:2026:348

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202303324/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake openbaarmaking van informatie door de gemeente Soest op basis van de Wet openbaarheid van bestuur

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 maart 2023. De rechtbank had geoordeeld dat de burgemeester van de gemeente Soest en het college van burgemeester en wethouders onvoldoende informatie hadden verstrekt op verzoek van [appellant] op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). [appellant] was eigenaar van een terrein met recreatiewoningen en had verzocht om openbaarmaking van documenten die betrekking hadden op het gebruik van deze woningen. De rechtbank oordeelde dat de zoekslag van de burgemeester ontoereikend was en dat er een nieuw besluit moest worden genomen. In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de zaak behandeld. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze was aangevochten, maar vernietigde het besluit van 29 april 2024 van de burgemeester, omdat dit onvoldoende gemotiveerd was. De burgemeester moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding voor [appellant].

Uitspraak

202303324/1/A3.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 16 maart 2023 in zaken nrs. 21/2577 en 22/1362 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Soest (hierna: het college en de burgemeester).
Procesverloop
Bij besluiten van 22 juli 2021 en 9 augustus 2021 hebben het college en de burgemeester verzoeken van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 24 januari 2022 hebben het college en de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 maart 2023 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 24 januari 2022 gedeeltelijk vernietigd en het college en de burgemeester opgedragen om binnen dertien weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en de burgemeester hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant], het college en de burgemeester hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 29 april 2024 hebben het college en de burgemeester opnieuw op het bezwaar beslist.
[appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 29 april 2024.
[appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 april 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Gideonse, advocaat in Apeldoorn, het college en de burgemeester, gezamenlijk vertegenwoordigd door mr. J.E van der Horst, mr. P.S. Dijkstra en D. Cara, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] was vanaf 2015 tot maart 2022 eigenaar van een terrein met recreatiewoningen aan de [locatie 1] (hierna: het recreatieterrein). Jachthuis Exploitatie B.V. (hierna: Jachthuis) exploiteerde het terrein en verhuurde recreatiewoningen onder andere aan arbeidsmigranten. Het college heeft in 2018 en in 2019 aan [appellant] lasten onder dwangsom opgelegd om het niet-recreatieve gebruik van de recreatiewoningen te beëindigen. Volgens [appellant] heeft het college zijn beleid en bestendige bestuurspraktijk ingrijpend gewijzigd, omdat voorheen gebruik van de recreatiewoningen anders dan voor recreatie onder voorwaarden wel was toegestaan, zolang maar geen sprake was van daadwerkelijke permanente bewoning. Dat blijkt volgens hem uit het feit dat de burgemeester zelf rond zijn aantreden enige tijd in één van de woningen heeft verbleven.
2.       Met het oog hierop heeft [appellant] op 24 maart 2021 op grond van de Wob verzocht om de openbaarmaking van de volgende documenten:
-         Documenten vanaf het aantreden van de burgemeester, die gaan over het recreatieterrein en de kantoorvilla en specifiek over het contact dat de burgemeester over deze twee onderwerpen heeft gehad vanaf het moment van zijn aantreden;
-         Documenten sinds 2005 die gaan over de Stichting Logies-Verschaffers Soest en over de heffing van toeristenbelasting in die periode;
-         Documenten vanaf 2005 die gaan over het recreatieterrein en de kantoorvilla. Hij wil informatie over de contacten die het college daarover heeft gehad en verzoekt daarbij om specifieke stukken over onder meer contacten met omwonenden en de vorige eigenaar, de curator na het faillissement van deze eigenaar/exploitant, planologische mogelijkheden vanaf 2015 en handhaving(sverzoeken) vanaf 2005; en
-         Beleid dat de gemeente Soest sinds 2005 voert met betrekking tot verblijfsrecreatieterreinen en de (prioritering van) handhaving daarvan.
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de zoekslag van de burgemeester ontoereikend is geweest en dat het besluit van 24 januari 2022 van de burgemeester daarom in strijd met artikel 3:2, van de Awb is genomen. De burgemeester zal daarom een nieuw besluit moeten nemen. Uitgangspunt hierbij is de lijst met voorbeelden van ontbrekende documenten die [appellant] heeft overgelegd. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is vast komen te staan dat de zoekslag van het college in algemene zin ontoereikend is geweest. Wel is dat het geval waar het betreft de e-mailboxen/bestanden van oud-medewerkers (rechtsoverweging 31), de correspondentie met de omwonenden (rechtsoverweging 40), correspondentie met de curator (rechtsoverweging 41) en documenten die relateren aan het besluit van 9 maart 2021 (rechtsoverweging 44). Het college zal hierover een nieuw besluit moeten nemen.
Hoger beroep
4.       Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: Woo) in werking getreden. Omdat het besluit op bezwaar van 24 januari 2022 is genomen voor 1 mei 2022 is in hoger beroep nog de Wob van toepassing.
5.       De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de door het college en de burgemeester vertrouwelijk overgelegde ongelakte stukken.
6.       [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft zijn standpunten zeer uitgebreid uiteengezet. De Afdeling wijst er op dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb niet volgt dat zij in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Hoewel de Afdeling alle argumenten heeft bezien, zal zij zich hierna beperken tot de kern van de door [appellant] naar voren gebrachte gronden.
Procedurele aspecten
7.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de onvolledigheid van het advies van de adviescommissie niet betekent dat het besluit van 24 januari 2022 onzorgvuldig is genomen. Hierbij voert hij aan dat onzorgvuldig is dat de relevante stukken hem en de adviescommissie niet hebben bereikt, maar wel bij het secretariaat van de commissie terecht zijn gekomen.
7.1.    De gronden die [appellant] in hoger beroep hierover heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de in rechtsoverweging 7 van de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
7.2.    Het betoog slaagt niet.
8.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester en het college niet in strijd met het verbod op vooringenomenheid hebben gehandeld. Hij voert hiertoe aan de burgemeester en het college om politiek-bestuurlijke redenen bewust hebben geprobeerd informatie achter te houden, dan wel openbaarmaking ervan te vertragen.
8.1.    De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep hierover heeft aangevoerd. De rechtbank is in rechtsoverweging 30 gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Daar voegt de Afdeling nog het volgende aan toe. Weliswaar hebben de burgemeester en het college in eerste instantie minder documenten openbaar gemaakt en hebben zij tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure nog meer documenten aangetroffen, maar uit dat enkele feit volgt niet dat sprake is van vooringenomenheid.
8.2.    Het betoog slaagt niet.
De inhoudelijke beoordeling van het besluit van 24 januari 2022
Meer documenten
9.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de overige door hem genoemde voorbeelden van documenten niet tot de conclusie leiden dat er meer documenten onder de burgemeester zouden moeten berusten. Hij voert wat betreft de documenten over de zoektocht naar woonruimte voor de burgemeester eind 2013/begin 2014 aan dat niet meer dan logisch is dat de burgemeester hierover schriftelijk zal hebben gecommuniceerd. Over de inschrijving in de Basisregistratie personen (hierna: Brp) van de burgemeester tijdens zijn verblijf op het adres van het Jachthuis voert hij aan dat in een andere bestuursrechtelijke procedure het college wel gegevens uit de Brp over het adres [locatie 1] geanonimiseerd heeft verstrekt. Verder voert hij aan dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat documenten over het contact tussen de burgemeester en de burgemeester van Vijfheerenlanden, over een geweigerde omgevingsvergunning, over de discussie over de niet-recreatieve bewoning van een recreatiewoning door de burgemeester en over de e-mail van het Jachthuis van 20 december 2019 zich onder de burgemeester bevinden.
9.1.    Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:709, onder 10.
9.2.    [appellant] stelt dat de omstandigheid dat de burgemeester contact heeft gehad met de burgemeester van Vijfheerenlanden over huisvesting van arbeidsmigranten op het recreatieterrein aan de [locatie 2], betekent dat er schriftelijke documentatie is over dit gesprek. Het enkele feit dat er een gesprek tussen twee burgemeesters zou hebben plaatsgevonden, maakt echter niet dat daarvan schriftelijke documentatie bestaat. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat [appellant] hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer documenten bij de burgemeester zouden moeten berusten.
9.3.    Op 5 juni 2020 heeft het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een planologische gebruikswijziging voor vier bestaande recreatiewoningen binnen de bestemming "Bos-Bostuin" op het perceel [locatie 2] in Soesterberg geweigerd. De procedure rondom deze geweigerde omgevingsvergunning biedt geen grond voor het oordeel dat er specifieke documenten moeten zijn in relatie tot het niet-recreatieve verblijf van de burgemeester op het recreatiepark. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat er meer documenten hierover zouden moeten bestaan.
9.4.    [appellant] heeft gewezen op de door een Woo-verzoek verkregen e-mail van 8 juli 2020. Hierin schrijft de burgemeester een bericht aan de raad van de gemeente Soest over de discussie over de al dan niet-recreatieve bewoning van een recreatiewoning door de burgemeester. Dat hierover gecorrespondeerd is, zou blijken uit deze e-mail en uit het proces-verbaal voorlopig getuigenverhoor. Uit de e-mail volgt dat de burgemeester benaderd is door raadsleden over de discussie over de al dan niet-recreatieve bewoning. Uit het proces-verbaal volgt dat de burgemeester heeft verklaard dat hij één of twee telefoontjes heeft gehad naar aanleiding van een artikel in het Algemeen Dagblad (hierna: AD). Niet is gebleken dat, naast de e-mail van 8 juli 2020, andere schriftelijke communicatie bestaat naar aanleiding van dit artikel in het AD.
9.5.    Voor zover [appellant] heeft verwezen naar een e-mail van het Jachthuis van 20 december 2019, overweegt de Afdeling dat [appellant] onvoldoende concreet heeft gemaakt in hoeverre deze e-mail onder het Wob-verzoek valt. Wat [appellant] hierover heeft aangevoerd, kan daarom niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
9.6.    Weliswaar heeft de burgemeester in eerste instantie slechts enkele documenten openbaar gemaakt en heeft de burgemeester later tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure alsnog documenten aangetroffen, maar uit dat enkele feit volgt niet dat het aannemelijk is dat er nog meer documenten zijn. Gelet op wat onder 9.1 tot en met 9.5 is overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de overige door [appellant] genoemde voorbeelden van documenten niet tot de conclusie leiden dat er meer documenten onder de burgemeester zouden moeten berusten.
9.7.    Het betoog slaagt niet.
10.     Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de nog te maken zoekslag voor het college heeft beperkt tot de onderwerpen uit de rechtsoverwegingen 31, 40, 41 en 44. Hij voert hiertoe aan dat nog geen sprake is geweest van een zoekslag naar elektronische documenten. Ook naar andere documenten is volgens hem nog onvoldoende gezocht.
10.1.  De Afdeling overweegt dat [appellant] onvoldoende concreet heeft gemaakt dat het college over meer stukken zou beschikken dan het al heeft gegeven. Voor zover [appellant] betoogt dat het college nog niet gezocht heeft naar elektronische documenten, overweegt de Afdeling dat op de zitting bij de Afdeling de vraag aan de orde is geweest of een digitale zoekslag naar elektronische documenten heeft plaatsgevonden. Het college heeft in dit verband toegelicht dat dit het geval is en dat alle documenten die enigszins een relatie hadden tot het adres betrokken zijn bij de zoekslag. Niet is gebleken dat onvoldoende is gezocht naar andere documenten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank de nog te maken zoekslag voor het college op goede gronden beperkt tot de onderwerpen uit de rechtsoverwegingen 31, 40, 41 en 44.
Delen ten onrechte niet openbaar gemaakt
11.     [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat delen van de documenten C6, F0.15 en F.016 terecht onleesbaar zijn gemaakt. Hij voert hiertoe allereerst aan dat de advisering van gemeentelijke advocaat niet in zo’n grote mate aangemerkt moet worden als intern beraad. Het betreft hier namelijk een onderwerp van privaatrechtelijke aard. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college terecht bepaalde persoonsgegevens in de documenten F0.15 en F.016 onleesbaar heeft gemaakt, terwijl in andere zaken deze gegevens wel inzichtelijk gemaakt konden worden.
11.1.  Artikel 11, eerste lid, van de Wob bepaalt dat in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee dit is opgesteld. Degene die het document heeft opgesteld, moet de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Onder persoonlijke beleidsopvatting wordt op grond van artikel 1, aanhef en onder f, van de Wob verstaan: een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van één of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten. Hoewel feitelijke gegevens geen persoonlijke beleidsopvattingen zijn, kunnen deze gegevens zo met die opvattingen zijn verweven dat het niet mogelijk is deze te scheiden (zie de uitspraak van 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2778, r.o. 4.1).
11.2.  Wat betreft het document C6, overweegt de Afdeling dat document C6 een advies van de advocaat van het college betreft. Het document is opgesteld om het college te adviseren. De Afdeling komt tot dezelfde conclusie als de rechtbank in overweging 24. Verder overweegt de Afdeling dat voor de vraag of informatie uit documenten aangemerkt kan worden als intern beraad, relevant is met welk oogmerk de documenten zijn opgesteld. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op goede gronden artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft toegepast en niet te ruim gegevens heeft weggelakt.
11.3.  Het betoog slaagt in zoverre niet.
11.4.  Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
11.5.  Wat betreft de documenten F0.15 en F.016 overweegt de Afdeling dat de onleesbaar gemaakte pagina’s, informatie betreft over personen die zich hebben laten inschrijven in de Brp op een adres van een recreatiewoning, in verband met toenmalige gedoogmogelijkheden. Het college heeft op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob geweigerd deze gegevens openbaar te maken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college op goede gronden toepassing heeft gegeven aan dit artikel. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom dit oordeel onjuist zou zijn. Het enkele feit dat in andere zaken bepaalde gegevens wel openbaar zouden zijn gemaakt, nog daargelaten of dit terecht is gebeurd, betekent niet dat dit ook voor documenten in deze procedure zou moeten gelden.
11.6.  Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroep
12.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet, voor zover aangevallen, worden bevestigd.
Nieuw besluit op bezwaar van 29 april 2024
13.     Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank hebben de burgemeester en het college op 29 april 2024 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is hiertegen voor [appellant] van rechtswege een beroep ontstaan. Volgens het besluit heeft het college een nadere zoekslag verricht naar documenten die zien op de onderwerpen in de rechtsoverwegingen 31, 40, 41 en 44 van de uitspraak van de rechtbank. De aangetroffen documenten zijn op 11 juli 2023 aan [appellant] verstrekt. Verder hebben het college en de burgemeester opdracht gegeven aan de Regionale ICT-Dienst Utrecht (hierna: RID) om drie mailboxen van voormalige medewerkers van de gemeente Soest te (her)openen. Eén mailbox kon niet volledig worden teruggehaald. In een aanvullende zoekslag naar aanleiding van een brief van 11 augustus 2023 zijn nog drie Whatsapp-berichten aangetroffen. Openbaarmaking van een deel van de aangetroffen documenten blijft achterwege op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
14.     Het besluit op bezwaar dat in beroep ter beoordeling staat, is genomen op 29 april 2024, dus na 1 mei 2022. Dat betekent dat in beroep de Woo van toepassing is.
Beroep
15.     [appellant] betoogt dat met het besluit van 29 april 2024 slechts gedeeltelijk aan de opdracht van de rechtbank is voldaan. De rechtbank heeft namelijk onder andere geoordeeld dat de zoekslag van de burgemeester niet voldoende is geweest en dat deze opnieuw moet. Het college moet slechts op bepaalde punten een nieuw besluit nemen, want niet is vast komen te staan dat de zoekslag van het college in algemene zin ontoereikend is geweest. Uit het besluit van 29 april 2024 volgt dat alleen een nieuwe zoekslag is verricht naar documenten die zien op de onderwerpen in de rechtsoverwegingen 31, 40, 41 en 44 van de uitspraak van de rechtbank en wat daar de resultaten van zijn. Dat de burgemeester ook een nieuwe, eigen zoekslag zou hebben verricht, volgt niet uit dit besluit, aldus [appellant].
15.1.  De Afdeling overweegt dat uit de bewoordingen in het besluit van 29 april 2024 volgt dat het college een nieuwe zoekslag heeft verricht naar documenten die zien op de onderwerpen in de rechtsoverwegingen 31, 40, 41 en 44 van de uitspraak van de rechtbank en wat daar de resultaten van zijn. Uit het besluit volgt slechts dat de burgemeester een nieuwe zoekslag heeft verricht in de mailbox en de telefoon van de burgemeester. Verder is niet duidelijk of de burgemeester voldaan heeft aan de door de rechtbank gegeven zoekopdracht uit rechtsoverweging 13. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester in het besluit van 29 april 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd óf en op welke wijze is gezocht naar voor het verzoek relevante documenten.
15.2.  Het betoog slaagt.
16.     Verder betoogt [appellant] dat het college en de burgemeester al wat mogelijk is, hadden moeten doen om de verwijderde mailbox terug te halen. Dat voor het terughalen een nieuw systeem aangeschaft moet worden en dat daarbij hoge kosten gemoeid zijn, ontslaat hen niet van hun plicht om gedegen onderzoek te doen, aldus [appellant].
16.1.  Voor zover openbaarmaking wordt verzocht van documenten die niet (meer) bij het bestuursorgaan berusten maar bij het bestuursorgaan hadden behoren te berusten, mag van dit bestuursorgaan worden verwacht dat het al het redelijkerwijs mogelijke doet om deze documenten alsnog te achterhalen (zie de uitspraak van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1388).
16.2.  De Afdeling overweegt dat het college en de burgemeester voor de behandeling van het verzoek opdracht hebben gegeven aan de RID om drie mailboxen te (her)openen van voormalige medewerkers van de gemeente Soest. Eén mailbox kon niet volledig worden teruggehaald. Voor het terughalen van de resterende e-mailberichten zou de RID nieuwe apparatuur moeten aanschaffen. Dit brengt aanzienlijke gemeentelijke kosten met zich mee. Daarnaast moeten dergelijke economische beslissingen verschillende besluitvormingsprocedures doorlopen. Het college en de burgmeester hebben op de zitting toegelicht dat een aanbestedingsprocedure moet worden doorlopen. Van het college en de burgemeester kon in dit geval naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs niet worden gevergd dat zij een nieuw systeem aanschaften. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de burgemeester en het college daarom al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was gedaan om het resterende deel van de mailbox terug te halen.
16.3.  Het betoog slaagt niet.
17.     Tot slot betoogt [appellant] dat de burgemeester en het college bij de beoordeling van het nieuwe besluit op bezwaar in strijd met het verbod op vooringenomenheid hebben gehandeld.
17.1.  Zoals volgt uit wat de Afdeling onder 8 tot en met 8.1 met betrekking tot de eerdere besluiten heeft overwogen, hebben de burgemeester en het college niet in strijd gehandeld met het verbod op vooringenomenheid. Van vooringenomenheid bij het nemen van het nieuwe besluit is evenmin gebleken.
Conclusie beroep
18.     Het beroep is gegrond.
Conclusie
19.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt, voor zover aangevallen, bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 29 april 2024 is, voor zover daarbij onvoldoende is gemotiveerd óf en op welke wijze is gezocht naar voor het verzoek relevante documenten gegrond. Dat besluit moet in zoverre worden vernietigd. De burgemeester moet in zoverre een nieuw besluit nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De Afdeling zal hiervoor een termijn stellen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Overschrijding redelijke termijn
20.     De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
Wanneer tijdens de behandeling van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag alsnog een reëel besluit wordt genomen waartegen van rechtswege een bezwaar ontstaat, gaat de Afdeling ervan uit dat de termijn aanvangt op de dag waarop het bezwaar van rechtswege is ontstaan. Die situatie is in dit geval aan de orde met de besluiten van 22 juli 2021 en 9 augustus 2021. De procedure is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van vandaag. De procedure heeft dus in totaal vier jaar en ruim vijf maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim vijf maanden is overschreden. Deze overschrijding moet volledig aan de Afdeling worden toegerekend.
20.1.  De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.
Proceskostenveroordeling
21.     De burgemeester moeten de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland, van 16 maart 2023 in zaken nrs. 21/2577 en 22/1362, voor zover aangevallen;
II.       verklaart het beroep tegen het besluit van 29 april 2024, kenmerk 542884, gegrond, voor zover daarbij onvoldoende is gemotiveerd óf en op welke wijze is gezocht naar voor het verzoek relevante documenten ;
III.      vernietigt dat besluit in zoverre;
IV.      draagt de burgemeester van Soest op om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
V.       bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI.      veroordeelt de burgemeester van Soest tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.399,10, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII.     wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
VIII.    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
620-1050