ECLI:NL:RVS:2026:353

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202400128/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over weigering tot overname van private schulden van gedupeerden van de toeslagenaffaire

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, die op 13 december 2023 het beroep van [appellant] ongegrond verklaarde. [appellant], een gedupeerde van de toeslagenaffaire, had de minister van Financiën verzocht om de overname van drie private schulden, die samen € 99.000,00 bedragen en bij de bank Crédit Agricole du Maroc zijn aangegaan. De minister weigerde deze overname op basis van het Besluit betalen private schulden, omdat de leningen hypothecaire leningen zijn en volgens de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) niet in aanmerking komen voor overname. De rechtbank bevestigde deze weigering, waarop [appellant] in hoger beroep ging. Tijdens de zitting op 20 mei 2025, waar [appellant] via videoverbinding aanwezig was, werd de zaak behandeld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister terecht had geweigerd de schulden over te nemen, omdat de hypothecaire leningen niet voldeden aan de voorwaarden voor overname. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule werd door de Afdeling afgewezen. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitspraak

202400128/1/A2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], voor dit hoger beroep woonplaats kiezend ten kantore van zijn gemachtigde in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 13 december 2023 in zaak nr. 22/5650 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën (voorheen: de Belastingdienst/Toeslagen, hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2022 heeft de minister geweigerd om drie private schulden van [appellant] over te nemen.
Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 december 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met de zaken nrs. 202401289/1/A2 en 202403711/1/A2, op een zitting behandeld op 20 mei 2025, waar [appellant] via een videoverbinding, bijgestaan door mr. R.H. Bouwman, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Balbi en mr. S.N. Ishak, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
Inleiding
1.       Het besluit van 14 april 2022 is gebaseerd op het Besluit betalen private schulden.
Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht) in werking getreden.
In de Wht is onder andere de regeling voor het overnemen van private schulden van gedupeerde ouders in het kader van de hersteloperatie toeslagen ondergebracht, die daarvoor was opgenomen in het Besluit betalen private schulden. Op grond van het overgangsrecht dat is neergelegd in artikel 8.6 van de Wht wordt het besluit van 14 april 2022 aangemerkt als een besluit die is genomen op grond van artikel 4.1 van de Wht.
2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3.       [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de minister verzocht om overname van een drietal schulden van totaal omgerekend € 99.000,00 bij de bank Crédit Agricole du Maroc. [appellant] heeft bij het aangaan van deze leningen een appartement en een stuk land in Marokko als onderpand gegeven.
4.       De minister heeft de afwijzing van deze aanvraag in bezwaar gehandhaafd. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat blijkens de door [appellant] overgelegde leningsovereenkomsten het om hypothecaire leningen gaat. Volgens de minister doet hieraan niet af dat de hypothecaire leningen niet zijn gebruikt voor de financiering van een woning. Op grond van artikel 4.1, vierde lid, van de Wht komen de resterende hoofdsommen van hypothecaire leningen niet in aanmerking voor overname of betaling, ook niet als deze volledig opeisbaar zijn geworden. Voor hypothecaire leningen kunnen slechts betalingsachterstanden worden vergoed, als is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Omdat de leningen van [appellant] al zijn beëindigd en de hoofdsommen geheel opeisbaar zijn, is er volgens de minister geen sprake van achterstanden op deze leningen. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, die de afwijzing van de aanvraag onevenredig maken.
5.       De rechtbank heeft het beroep daartegen ongegrond verklaard. [appellant] heeft daartegen hoger beroep ingesteld.
Bevoegdheid rechtbank
6.       De Afdeling overweegt ambtshalve het volgende. Ten tijde van de indiening van het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2022 verbleef [appellant] in de penitentiaire inrichting Zaanstad. De rechtbank heeft op grond daarvan geconcludeerd dat niet zij maar de rechtbank Noord-Holland bevoegd was kennis te nemen van de zaak. Zij heeft daarin, onder verwijzing naar de op de zitting van partijen gekregen toestemming om de zaak af te handelen, geen aanleiding gezien om de zaak naar de rechtbank Noord-Holland te verwijzen.
7.       Met het oog op een effectieve geschilbeslechting ziet de Afdeling aanleiding de uitspraak van de rechtbank krachtens artikel 8:117 van de Algemene wet bestuursrecht als bevoegdelijk gedaan aan te merken.
Hoger beroep
- komen de schulden in aanmerking voor overname?
8.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de drie private schulden van [appellant] zijn aan te merken als hypothecaire leningen die niet in aanmerking komen voor overname. Volgens [appellant] is voldaan aan de voorwaarden voor overname van private schulden, omdat het gaat om opeisbare private schulden die zijn vastgelegd in een notariële akte. De drie in Marokko overeengekomen leningen zijn geen hypothecaire leningen zoals die in Nederland gangbaar zijn, aldus [appellant].
8.1.    Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht worden geldschulden overgenomen die zijn ontstaan na 31 december 2005, die voor 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Uit het derde lid volgt onder meer dat de geldschuld moet zijn vastgelegd in een notariële akte. In het vierde lid is bepaald dat de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die wegens betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, niet wordt overgenomen, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak.
8.2.    In de memorie van toelichting van de Wht (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 45) is over de regeling voor hypothecaire leningen vermeld dat het kan voorkomen dat na meerdere niet betaalde maandelijkse termijnen de hoofdsom van de lening opeisbaar wordt. In die situatie wordt onderscheid gemaakt tussen de opeisbare achterstallige betalingen enerzijds en de hoofdsom anderzijds. De opeisbare achterstallige betalingen worden overgenomen, maar de opeisbare hoofdsom niet. De gedupeerde ouder blijft dus in principe de schuldenaar van de resterende hoofdsom van de hypothecaire lening. De gedupeerde ouder of zijn toeslagpartner kan het maandelijkse rente- en aflossingsbedrag weer gaan betalen en zo de hypotheek verder aflossen. Een uitzondering hierop is een restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. In dat geval wordt ook de hoofdsom vergoed.
8.3.    De schulden waarvan [appellant] om overname heeft verzocht, hebben betrekking op drie leningen bij de bank Crédit Agricole du Maroc. Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt dat hij voor die leningen een stuk grond en een appartement in Marokko als onderpand heeft gegeven. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] daarmee hypothecaire leningen heeft afgesloten. De stelling van [appellant] dat hij de leningen niet heeft afgesloten voor de aanschaf van een registergoed en dat het om een krediethypotheek gaat, leidt niet tot een ander oordeel. Het doel waarvoor [appellant] de leningen is aangegaan is niet van belang, omdat het er om gaat dat voor die leningen een hypotheekrecht is gevestigd op een stuk grond en een appartement. De aard van de hypothecaire lening wordt immers niet bepaald door het doel van de lening, maar door de vorm van zekerstelling (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6140, in 11.3). De niet onderbouwde stelling van [appellant] dat dit naar Marokkaans recht anders is, leidt niet tot een ander oordeel omdat de aanvraag om overname van de schulden naar Nederlands recht moet worden beoordeeld.
[appellant] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van achterstallige betalingen die opeisbaar waren voor 1 juni 2021. Uit het vonnis van de handelsrechtbank in Tanger van 23 december 2020 volgt dat [appellant] is veroordeeld tot terugbetaling van twee leningen bij de bank Crédit Agricole du Maroc. Het gaat om een lening van 250.000,00 Marokkaanse Dirham (hierna MAD) en een lening van 400.000 MAD. Voor deze leningen geldt dat opeisbare hoofdsommen op grond van artikel 4.1, vierde lid, van de Wht niet worden overgenomen. Evenmin is gesteld dat sprake is van een restschuld.
Het betoog slaagt niet.
- vertrouwensbeginsel
9.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Doordat de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (hierna: SBN) namens de minister contact heeft opgenomen met de bank Crédit Agricole du Maroc, is bij [appellant] de verwachting gewekt dat de schulden overgenomen zouden worden.
9.1.    Wie zich, zoals [appellant], beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] er niet in geslaagd is het bestaan van enige toezegging aannemelijk te maken waaraan hij het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat zijn schulden op basis van voornoemde drie leningen zouden worden overgenomen door de minister. Daarvoor is onvoldoende dat de uitvoeringsorganisatie SBN € 1,00 heeft overgemaakt aan de bank in Marokko. De minister heeft toegelicht dat deze transactie is gedaan ter verificatie van de buitenlandse schuldeiser en om er zeker van te zijn dat een eventuele betaling zou aankomen. Het e-mailbericht van SBN aan [appellant] van 16 maart 2022 is evenmin te beschouwen als een toezegging dat de schulden zouden worden overgenomen, omdat [appellant] daarin is bericht dat nog informatie ontbrak en hem is gevraagd die ontbrekende informatie over te leggen.
Het betoog slaagt niet.
- hardheidsclausule
10.     [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep op de hardheidsclausule in artikel 9.1 van de Wht niet slaagt. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte niet gekeken naar zijn persoonlijke omstandigheden. Zo heeft de rechtbank niet bij haar oordeel betrokken dat [appellant] zich in detentie bevindt.
10.1.  In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
10.2.  Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:2025:456, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevende belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
10.3.  De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. De stukken en het door [appellant] aangevoerde bieden onvoldoende objectieve aanknopingspunten om vast te stellen dat sprake is van een schrijnende situatie bij [appellant]. Dat hij in detentie zat, is daarvoor onvoldoende. [appellant] heeft op de zitting aangevoerd dat hij strafonderbreking heeft gekregen om in Marokko zaken op orde te brengen en dat bij aankomst daar zijn paspoort is ingenomen terwijl hij terug wil naar Nederland. Hij heeft dit evenwel niet op enige wijze onderbouwd. Evenmin is gebleken dat [appellant] in Marokko in schrijnende omstandigheden verblijft. Gelet op het voorgaande is niet gebleken van ontwrichtende persoonlijke omstandigheden en had de minister geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van de hardheidsclausule de schulden van [appellant] over te nemen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
12.     De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Jansen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
609
BIJLAGE
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1 Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen zijn:
(…)
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 juni 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
(…).
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;
(…).
Artikel 8:6 Overgangsrecht in verband met terugwerking van de artikelen van de afdelingen 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 en 4.2
Beschikkingen ter zake van (…) betaling of overneming van privaatrechtelijke schulden die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van afdeling 2.1, 2.4, 3.1 en 4.1 onderscheidenlijk 4.2 worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 of 4.2 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen.
Artikel 9.1 Hardheidsclausule
(…)
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
(…).