ECLI:NL:RVS:2026:3540
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit, en legde de minister een dwangsom en een proceskostenvergoeding van € 233,50 op.
Appellant ging in hoger beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een te lage wegingsfactor (0,25) had toegepast en dat een wegingsfactor van 0,5 passend was.
De Afdeling vernietigde het deel van het vonnis dat de minister veroordeelde tot de lagere proceskostenvergoeding en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van in totaal € 934,00, inclusief vergoeding van het griffierecht. Het hoger beroep was uitsluitend gericht op de proceskostenvergoeding en werd als licht aangemerkt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot een hogere proceskostenvergoeding van € 934,00 en vergoeding van het griffierecht.