ECLI:NL:RVS:2026:3546
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit, legde een dwangsom op en veroordeelde de minister tot een proceskostenvergoeding van € 233,50.
Appellant ging in hoger beroep tegen de hoogte van deze proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) toepaste in plaats van 0,5 (licht). Daarom vernietigde de Afdeling het vonnis voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van in totaal € 934,00, verdeeld over beroep en hoger beroep.
De Afdeling stelde vast dat het hoger beroep zich uitsluitend richtte op de hoogte van de proceskostenvergoeding en van eenvoudige aard was, waardoor ook in hoger beroep de wegingsfactor 0,5 werd toegepast. Er waren geen vragen over Unierechtelijke bepalingen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 22 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister veroordeeld tot een hogere proceskostenvergoeding van € 934,00.