ECLI:NL:RVS:2026:3548
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit en legde de minister een dwangsom en een proceskostenvergoeding van € 233,50 op.
Appellant ging in hoger beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) toepaste in plaats van 0,5 (licht). Hierdoor werd de proceskostenvergoeding te laag vastgesteld.
De Afdeling vernietigde het deel van het vonnis waarin de minister werd veroordeeld tot de lagere proceskostenvergoeding en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van in totaal € 934,00, verdeeld over beroep en hoger beroep. De zaak werd als licht van aard aangemerkt, passend bij de toegepaste wegingsfactor.
De Afdeling benadrukte dat het hoger beroep zich uitsluitend richtte op de hoogte van de proceskostenvergoeding en dat er geen vragen waren over Unierechtelijke bepalingen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 22 juni 2026.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verhoogt de proceskostenvergoeding en veroordeelt de minister tot betaling van € 934,00 aan appellant.