ECLI:NL:RVS:2026:3550
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vernietiging besluit verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 februari 2024 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De minister verklaarde het bezwaar van betrokkene ongegrond op 18 januari 2025. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene op 12 mei 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. Betrokkene gaf een schriftelijke uiteenzetting.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank niet strekt tot het direct verlenen van de verblijfsvergunning en dat uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft. Ook vergt uitvoering geen onevenredige inspanning. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.