ECLI:NL:RVS:2026:3551
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Appellant had bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 13 januari 2026 werd afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar hield de rechtsgevolgen in stand. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
Tijdens de procedure liet de minister weten dat appellant met onbekende bestemming was vertrokken en de gemachtigde van appellant gaf aan geen contact meer met hem te hebben. De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde hieruit dat appellant geen bescherming meer zoekt in Nederland en daardoor geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.
Op grond hiervan verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Raad van State op 23 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang van appellant.