ECLI:NL:RVS:2026:3552
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
Appellant heeft bij besluit van 5 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft appellant bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 20 september 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die dit op 25 februari 2026 ongegrond verklaarde.
Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De griffier wees appellant erop dat het griffierecht betaald moest worden, met een uiterste betaaldatum van 24 april 2026. Appellant betaalde het griffierecht niet en gaf aan dit vanwege persoonlijke omstandigheden niet te kunnen doen. Deze omstandigheden werden niet als voldoende geacht om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het niet voldoen van het griffierecht binnen de gestelde termijn. De minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. H.G. Sevenster op 22 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.