ECLI:NL:RVS:2026:3556
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 25 februari 2026 niet-ontvankelijk werd verklaard. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 21 april 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure informeerde de minister de Afdeling dat appellant met onbekende bestemming was vertrokken en dat de gemachtigde van appellant geen contact meer met haar had. De Afdeling concludeerde hieruit dat appellant geen bescherming meer zoekt in Nederland en daardoor geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.
Op grond hiervan verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 22 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang van appellant.