ECLI:NL:RVS:2026:3563
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang en uitzetting asielzoeker
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 17 november 2025 is afgewezen. De rechtbank heeft op 11 juni 2026 het beroep van verzoeker gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit in stand gelaten met een vertrektermijn van vier weken.
Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen tegen de voorgenomen beëindiging van zijn opvang en uitzetting op 18 juni 2026. De voorzieningenrechter oordeelde dat de noodzakelijke stukken voor het hoger beroep nog niet waren ontvangen en besloot daarom een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter bepaalde dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan op 18 juni 2026.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.