ECLI:NL:RVS:2026:357

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202401248/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake openbaarmaking van documenten op verzoek van appellant met betrekking tot inspectie- en handhavingstraject bij chemische fabriek

In deze zaak heeft [appellant] op 18 december 2020 een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om informatie over het inspectie- en handhavingstraject van de bedrijfsbrandweer in 2019 en andere incidenten bij de chemische fabriek Sachem. Het college heeft op 22 april 2021 besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten. Na aanvullende verzoeken van [appellant] zijn er in de daaropvolgende jaren meer documenten openbaar gemaakt. Echter, [appellant] was van mening dat het college niet volledig had voldaan aan zijn verzoek en heeft hiertegen beroep aangetekend. De rechtbank Gelderland heeft op 12 januari 2024 het beroep ongegrond verklaard, waarna [appellant] hoger beroep heeft ingesteld.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak op 26 november 2025 behandeld. Tijdens deze zitting is het college vertegenwoordigd door mr. A.M. Wannet, mr. E.A.M. Janssen en R.B.J.M. Rikmanspoel. De Afdeling heeft overwogen dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe naar de documenten is gezocht en dat de zoekslagen zorgvuldig zijn geweest. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er nog meer documenten onder het college berusten. De Afdeling concludeert dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

202401248/1/A3.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 januari 2024 in zaak nr. 22/2042 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland.
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2021 heeft het college beslist op een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) en een aantal documenten openbaar gemaakt.
Bij besluiten van 30 juni 2021 en 14 december 2021 heeft het college aanvullende documenten openbaar gemaakt.
Bij besluit van 8 maart 2022 heeft het college naar aanleiding van het bezwaar van [appellant] besloten tot aanpassing van de besluiten van 22 april 2021 en 30 juni 2021 en aanvullende documenten openbaar gemaakt.
Bij uitspraak van 12 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 november 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. Wannet, mr. E.A.M. Janssen en R.B.J.M. Rikmanspoel, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft op 18 december 2020 verzocht om openbaarmaking van informatie over ‘het inspectie- en handhavingstraject bedrijfsbrandweer 2019’ en andere incidenten en/of inspecties bij de chemische fabriek Sachem in 2019 en 2020.
1.1.    Het college heeft bij het besluit van 22 april 2021 besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten. Bij de besluiten van 30 juni 2021 en 14 december 2021 heeft het college op verzoek van [appellant] aanvullende documenten openbaar gemaakt. Bij het besluit van 8 maart 2022 heeft het college beslist op de bezwaren van [appellant] en nogmaals aanvullende documenten openbaar gemaakt. Ook heeft het college de eerdere besluiten aangevuld met een nadere motivering.
2.       [appellant] heeft in beroep betoogd dat nog niet volledig aan het Wob-verzoek is voldaan. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank komt het niet ongeloofwaardig voor dat het college niet over meer documenten beschikt. Het college heeft drie keer naar documenten gezocht en op de zitting bij de rechtbank is door het college toegelicht op welke wijze naar de documenten is gezocht. Volgens de rechtbank is daarmee voldoende inzichtelijk gemaakt dat de zoekslagen zorgvuldig en volledig zijn geweest. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat nog meer informatie of documenten onder het college berusten.
Toetsingskader
3.       Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: Woo) in werking getreden. Het besluit op bezwaar dat in deze zaak ter beoordeling staat, is genomen op 8 maart 2022, dus voor 1 mei 2022. Dat betekent dat in dit geding de Wob nog van toepassing is. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1699, onder 1.2).
Hoger beroep
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college volledig heeft voldaan aan het Wob-verzoek en extra zoekslagen niet nodig zijn. [appellant] benoemt een incident van 28 november 2020 bij Sachem dat volgens hem tot intensieve communicatie moet hebben geleid die schriftelijk zou zijn moeten vastgelegd. [appellant] kan en wil niet geloven dat bij een incident van deze omvang alleen mondeling is gecommuniceerd.
Verder stelt [appellant] dat op de vastlegging van informatie door bedrijven met een groot risico op zware ongevallen, zoals Sachem, speciale verplichtingen rusten. Zo is er Richtlijn 2012/18/EU betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Seveso III-richtlijn) en de Handreiking ‘Bewaren van e-mail Rijksoverheid’, aldus [appellant].
Ten slotte betoogt [appellant] dat door het college meer inspanningen hadden moeten worden gepleegd om de verzochte informatie uit systemen of archieven te halen. Volgens [appellant] had in Cloud-opslagen, back-upsystemen en IT-archieven zoals NextCloud verder gezocht moeten worden en had het zoekgebied moeten worden uitgebreid naar andere instanties.
Beoordeling
5.       De Afdeling is evenals de rechtbank van oordeel dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe naar documenten is gezocht en aannemelijk heeft gemaakt dat de zoekslagen zorgvuldig en volledig zijn geweest. De Afdeling acht het niet onaannemelijk dat, zoals ook het college heeft gesteld, bij incidenten, zoals die van 17 september 2020 en van 28 november 2020 bij Sachem, vooral telefonisch en mondeling wordt gecommuniceerd omdat het bij dit soort incidenten belangrijk is snel te handelen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bepaalde documenten over deze aangelegenheid nog onder het college zouden berusten. De zoekslagen van het college zijn in dit geval voldoende geweest, omdat ook naar aanleiding van het door [appellant] ingediende bezwaar nogmaals uitgebreid is gezocht. Als de documenten waarvan [appellant] stelt dat deze missen nog onder het college zouden berusten, dan komt het de Afdeling geloofwaardig voor dat het college deze documenten uiterlijk tijdens de beroepsprocedure openbaar zou hebben gemaakt. Dat geldt ook documenten in Cloud-opslagen, back-upsystemen en IT-archieven. Zoals door het college toegelicht gaat het daarbij in het geval van NextCloud niet om een opslagsysteem voor interne documenten, maar om een programma dat alleen wordt gebruikt voor het toezenden van stukken aan burgers. De verzonden documenten worden daarbij zelf niet binnen de NextCloud-omgeving opgeslagen. Ook heeft het college zich voldoende ingespannen door het Wob-verzoek door te zenden aan andere instanties, zoals de Gemeenschappelijke Meldkamer, de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid en de gemeente Zaltbommel.
5.1.    De Afdeling stelt vast dat in de Seveso III-richtlijn staat dat lidstaten er zorg voor dragen dat bepaalde informatie permanent voor het publiek beschikbaar is. Ook moeten lidstaten ervoor zorgen dat het publiek wordt betrokken bij participatie in de besluitvorming. Het gaat in feite om een vorm van informatiehuishouding bij de beheersing van gevaren van zware ongevallen. Of het college de verplichtingen ingevolge deze richtlijn, die overigens zijn omgezet in nationale regelgeving, wel of niet heeft nageleefd, is een vraag die naar het oordeel van de Afdeling buiten de reikwijdte van deze Wob-procedure valt. Dat geldt ook voor de Handreiking, die onder meer gaat over de eisen ten aanzien van archivering en over de bewaartermijn voor documenten. Verstrekking van documenten onder de Wob is, kort samengevat, immers beperkt tot onder het verzoek vallende documenten waarover het college daadwerkelijk kan beschikken. De Wob geeft derhalve geen recht op verstrekking van documenten waarover het college niet kan beschikken. De stellingen van [appellant] over het door het college niet juist bewaard of opgeslagen hebben van documenten, wat daarvan ook zij, vallen dan ook buiten het bereik van deze procedure. De Afdeling ziet verder geen gronden om aan te nemen dat niet alle onder het verzoek vallende documenten waarover het college kon beschikken ook door het college openbaar zijn gemaakt.
5.2.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
317-1104q