202401224/1/A3.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Zaltbommel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 januari 2024 in zaak nr. 22/189 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2021 heeft het college beslist op een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) en een aantal documenten openbaar gemaakt.
Bij besluit van 2 december 2021 heeft het college het besluit van 27 juli 2021 gedeeltelijk herroepen, aanvullende documenten openbaar gemaakt en het besluit van 27 juli 2021 voor het overige in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.
Bij uitspraak van 12 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 december 2021 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 november 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door D.H.M. de Rouw, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft op 26 mei 2021 verzocht om openbaarmaking van informatie over ‘externe veiligheid van spoor, A2 en het BRZO-bedrijf op het Van Voordenpark Zaltbommel’. [appellant] heeft zijn verzoek onderverdeeld in vier categorieën: functioneren van de bedrijfsbrandweer, zuinig zijn met grondwater en respect voor de natuur, de genomen veiligheidsmaatregelen bij de bouw van sportcomplex Sportwaard en middelbare school De Brug, en incidenten bij de chemische fabriek Sachem in 2019 en 2020.
1.1. Het college heeft bij het besluit van 27 juli 2021 besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten, met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Bij het besluit van 2 december 2021 heeft het college nog meer documenten openbaar gemaakt. Ook heeft het college een aanvullende toelichting gegeven op welke wijze naar informatie is gezocht.
1.2. Tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het college nog tweemaal, op 9 november 2023 en op 21 november 2023, aanvullende documenten openbaar gemaakt. Volgens het college hadden deze documenten bij het besluit van 2 december 2021 al openbaar gemaakt moeten worden.
2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard, omdat het college nog tweemaal documenten openbaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens het besluit van 2 december 2021 vernietigd maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft het college met de zoekslagen in de beroepsprocedure aannemelijk gemaakt dat alle mogelijke zoekslagen zijn verricht. Het komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor dat het college niet alsnog meer documenten zal aantreffen.
Toetsingskader
3. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: Woo) in werking getreden. Het besluit op bezwaar dat in deze zaak ter beoordeling staat, is genomen op 2 december 2021, dus voor 1 mei 2022. Dat betekent dat in dit geding de Wob nog van toepassing is. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1699, onder 1.2). Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de stukken die het college op 21 november 2023 in de beroepsprocedure heeft ingebracht niet voor de zitting bij de rechtbank door hem zijn ontvangen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank geconstateerd dat deze stukken te laat zijn ingediend, maar is dit niet opgemerkt in de aangevallen uitspraak. Door de te late toezending kan de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijven, aldus [appellant].
4.1. [appellant] betoogt verder dat ook met de aanvullende reacties gedurende de beroepsprocedure nog niet alle informatie waarom is verzocht openbaar is gemaakt. Uit het gegeven dat door extra zoekslagen van het college nieuwe documenten zijn gevonden volgt dat nog niet alle documenten waarom is verzocht openbaar zijn gemaakt. Er moeten daarom volgens [appellant] nog extra zoekslagen gemaakt worden.
Beoordeling
5. De Afdeling constateert dat de rechtbank bij brief van 23 november 2023 aan het college heeft laten weten dat de aanvullende documenten van 21 november 2023 te laat zijn ingediend. De zitting zou namelijk op 27 november 2023 plaatsvinden en daarmee zijn de stukken niet minstens tien dagen voor de zitting ingediend, zoals voorgeschreven in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft ook medegedeeld dat op de zitting zal worden bepaald of de te laat ingediende stukken bij het onderzoek kunnen worden betrokken. De Afdeling maakt uit de uitspraak en de zittingsaantekeningen van de rechtbank op dat het bij de rechtbank vooral is gegaan om de vraag of het college voldoende heeft gezocht naar documenten waarop het Wob-verzoek ziet. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de op 21 november 2023 ingediende stukken ten tijde van het Wob-verzoek berustten onder het college en deze stukken daarom al bij de beslissing op bezwaar van 2 december 2021 openbaar hadden moeten worden gemaakt en heeft mede om die reden het bestreden besluit vernietigd. De Afdeling is van oordeel dat de uitspraak, voor zover aangevallen, niet hoeft te worden vernietigd vanwege het te laat indienen van de stukken van 21 november 2023. [appellant] heeft alsnog stukken ontvangen waar hij naar op zoek was en heeft tegelijk bij de rechtbank voldoende kunnen betogen waarom er nog meer stukken onder het college zouden moeten berusten die openbaar zouden moeten worden gemaakt. Bovendien is het besluit van 2 december 2021 ook om deze alsnog gevonden te laat ingediende stukken vernietigd. Zoals op de zitting bij de Afdeling is besproken is verder niet gebleken wat een vernietiging van de uitspraak om deze reden voor [appellant] zou kunnen opleveren.
5.1. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat het college voldoende heeft gezocht naar de documenten waarop het Wob-verzoek ziet. Het college heeft afdoende toegelicht op welke wijze naar de documenten is gezocht. Het college heeft het fysieke en het digitale archief doorzocht, de mailboxen en harde schijven van medewerkers betrokken en contact opgenomen met andere instanties, zoals de provincie Gelderland en de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. De Afdeling is van oordeel dat het aannemelijk is dat een extra zoekslag - naast de zoekslag tijdens de beroepsprocedure en de daarbij alsnog aangetroffen documenten - geen aanvullende documenten zal opleveren. Als de documenten waarvan [appellant] stelt dat deze missen nog onder het college zouden berusten, dan komt het de Afdeling geloofwaardig voor dat het college deze documenten eveneens uiterlijk tijdens de beroepsprocedure openbaar zou hebben gemaakt. De rechtbank heeft dan ook terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 2 december 2021 in stand gelaten.
5.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, zal worden bevestigd.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
317-1104