ECLI:NL:RVS:2026:3582

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
202601383/2/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.F. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 9.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing uitspraak rechtbank inzake kinderopvangtoeslag herbeoordeling

De Dienst Toeslagen wees een aanvraag van een belanghebbende om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag af, omdat deze na de wettelijke termijn was ingediend. De belanghebbende voerde ernstige fysieke en psychische klachten en verlies van dierbaren aan als reden voor de te late indiening. De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen de aanvraag toch inhoudelijk had moeten beoordelen op grond van de hardheidsclausule van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De Dienst Toeslagen stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om de uitspraak van de rechtbank te schorsen, omdat uitvoering onomkeerbare gevolgen zou hebben. De voorzieningenrechter overwoog dat het oordeel voorlopig is en niet bindend in de bodemprocedure. Na belangenafweging concludeerde de voorzieningenrechter dat het belang van de Dienst Toeslagen bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van de belanghebbende, die niet op de zitting verscheen.

De voorzieningenrechter besloot daarom de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 24 juni 2026 door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de uitspraak van de rechtbank Amsterdam totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202601383/2/A2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
de Dienst Toeslagen,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2026 in zaak nr. 25/4685 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in [woonplaats],
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2025 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [wederpartij] om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag afgewezen.
Bij besluit van 3 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 juli 2025 vernietigd, het besluit van 19 februari 2025 herroepen, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en bepaald dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een inhoudelijk besluit moet nemen op de aanvraag van [wederpartij].
Tegen deze uitspraak heeft de Dienst Toeslagen hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft de Dienst Toeslagen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 18 juni 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen.
Overwegingen
1.       [wederpartij] heeft op 31 december 2024 een aanvraag om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag gedaan. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen, omdat deze na afloop van de termijn van artikel 6.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is ingediend. [wederpartij] heeft aangevoerd dat zij tijdens de aanmeldtermijn kampte met ernstige fysieke en psychische klachten en dat zij te maken had met verlies van dierbaren, waardoor zij niet tijdig een aanvraag kon doen. Volgens de Dienst Toeslagen zijn dit geen bijzondere omstandigheden die maken dat de te laat ingediende aanvraag toch inhoudelijk moet worden beoordeeld.
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de aanvraag met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht wel inhoudelijk had moeten beoordelen.
3.       De Dienst Toeslagen heeft de voorzieningenrechter verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat op zijn hoger beroep is beslist. Volgens de Dienst Toeslagen brengt uitvoering van die uitspraak onomkeerbare gevolgen met zich, terwijl in hoger beroep nog beslist moet worden of de rechtbank juist heeft geoordeeld.
4.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
5.       De voorzieningenrechter zal met een belangenafweging bepalen of er aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
6.       De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat het inhoudelijk beoordelen van een aanvraag zoals die van [wederpartij] leidt tot de vaststelling of iemand al dan niet gedupeerde van de toeslagenaffaire is en in aanmerking komt voor de daarbij behorende herstelmaatregelen en regelingen. De Dienst Toeslagen heeft te kennen gegeven dat, als een aanvrager eenmaal is aangemerkt als gedupeerde en aan de aanvrager herstelmaatregelen zijn toegekend, hij die beslissing gestand doet. Aan ouders wordt in besluitvorming namelijk toegezegd dat zij uitgekeerde compensatie nooit hoeven terug te betalen. Dat betekent dat als de Dienst Toeslagen [wederpartij] na een inhoudelijke beoordeling als gedupeerde aanmerkt en zij in aanmerking komt voor herstelmaatregelen op de voet van de Wht, dit niet wordt teruggedraaid en dat [wederpartij] eventueel uitgekeerde compensatie niet hoeft terug te betalen. Dit geldt ook als het hoger beroep van de Dienst Toeslagen gegrond blijkt te zijn en de grondslag voor het inhoudelijk beoordelen van de aanvraag van [wederpartij] door vernietiging van de uitspraak van de rechtbank wegvalt.
7.       Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank is de Dienst Toeslagen gehouden om een nieuw besluit te nemen. Hoewel het goed mogelijk is dat de Dienst Toeslagen niet in staat is om dat besluit te nemen voordat op het hoger beroep is beslist, valt dat ook niet uit te sluiten. Bovendien volgt uit de uitspraak van de rechtbank dat hij het nieuwe besluit al genomen had moeten hebben.
8.       Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank mogelijk gevolgen meebrengt waarin het oordeel in hoger beroep geen verandering meer zal brengen. De Dienst Toeslagen heeft daarom belang bij het niet hoeven uitvoeren van de uitspraak van de rechtbank totdat op het hoger beroep is beslist.
9.       Tegenover het belang van de Dienst Toeslagen staan de belangen van [wederpartij]. Hoewel zij juist is opgeroepen, is [wederpartij] niet op de zitting verschenen en heeft zij ook geen schriftelijke reactie gegeven op het verzoek van de Dienst Toeslagen. Het is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken van onmiddellijke zwaarwegende belangen aan de zijde van [wederpartij] die zouden moeten leiden tot afwijzing van het verzoek. Dit neemt niet weg dat het invoelbaar is dat [wederpartij] mogelijk graag snel een inhoudelijke beslissing op haar aanvraag wil, maar gelet op wat hiervoor uiteen is gezet weegt dit niet op tegen het belang van de Dienst Toeslagen bij schorsing van de uitspraak van de rechtbank.
10.     De voorzieningenrechter zal de uitspraak van de rechtbank schorsen totdat op het hoger beroep is beslist.
11.     De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2026 in zaak nr. 25/4685, totdat op het hoger beroep is beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. De Groot
voorzieningenrechter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
809/1064