Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3583

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
202601701/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek alternatieve herkansingsdatum vak Kunst in Nederland

Tijdens het studiejaar 2025/2026 volgde verzoeker het vak Kunst in Nederland. Na een onvoldoende beoordeling (1) op de eerste tentamenkans van deeltoets 1, vond op 19 december 2025 de herkansing plaats. Verzoeker vroeg voorafgaand aan deze herkansing om een alternatieve datum omdat hij geen inzage had gehad in de beoordeling van zijn eerste tentamen, maar dit verzoek werd door de examencommissie afgewezen.

Het college van beroep voor de examens (CBE) verklaarde het administratief beroep van verzoeker gegrond en gaf de examencommissie opdracht om opnieuw te beslissen, met nadere motivering over de mogelijkheid tot behalen van het vak en de organisatorische belasting van een extra herkansing. De examencommissie wees het verzoek opnieuw af, stellende dat verzoeker niet aan verplichte excursies had deelgenomen en het vak daardoor niet kan afronden.

Verzoeker stelde vervolgens beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wegens het uitblijven van een beslissing van het CBE en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de wettelijke beslistermijn nog niet was verstreken en dat er geen sprake was van spoedeisend belang. Er was nog een tentamengelegenheid mogelijk binnen het studiejaar, afhankelijk van de beslissing van het CBE. Daarom werd het verzoek afgewezen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang en hoefde geen proceskosten toe te kennen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een alternatieve herkansingsdatum wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

202601701/1/A2.
Datum uitspraak: 23 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet) van:
[verzoeker], wonend in Amsterdam,
verzoeker.
Procesverloop
Bij beslissing van 13 april 2026 heeft de examencommissie van de Faculteit der Geesteswetenschappen het verzoek van [verzoeker] voor een alternatieve datum voor de herkansing van een deeltentamen van het vak ‘Kunst in Nederland’ afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] administratief beroep ingesteld bij het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (CBE).
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht om hangende dit administratief beroep een voorlopige voorziening te treffen.
Het CBE en [verzoeker] hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting (artikel 8:83, derde lid, van de Awb).
Voorgeschiedenis
2.       Tijdens het studiejaar 2025/2026 heeft [verzoeker] het vak ‘Kunst in Nederland’ gevolgd. De eerste tentamenkans van deeltoets 1 is beoordeeld met een 1. Op 19 december 2025 vond de herkansing van deze deeltoets plaats. [verzoeker] heeft de examencommissie voorafgaand aan de herkansing verzocht om een alternatieve datum voor deze herkansing, omdat hij geen inzage had gehad in de beoordeling van zijn eerste kans. Dit verzoek heeft de examencommissie afgewezen.
3.       Bij beslissing van 2 april 2026 heeft het CBE het door [verzoeker] daartegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard en de examencommissie opgedragen om opnieuw op het verzoek te beslissen. Daarbij heeft het CBE de examencommissie meegegeven dat zij in haar beslissing nader moet bezien of motiveren of [verzoeker], na inzage, met een nieuwe tentamengelegenheid het vak kan behalen of niet. Dit gelet op het in administratief beroep ingenomen standpunt van de examencommissie dat [verzoeker] het vak niet met succes kan afronden omdat hij niet heeft deelgenomen aan de verplichte excursies. Ook moet de examencommissie nader onderzoek doen naar de belasting voor de organisatie die het bieden van een extra herkansingsmogelijkheid voor deze deeltoets oplevert in het kader van de uiteindelijke eindbeoordeling van het vak Kunst in Nederland.
Besluitvorming
4.       Bij beslissing van 13 april 2026 heeft de examencommissie het verzoek van [verzoeker] opnieuw afgewezen. Aan deze beslissing heeft zij ten grondslag gelegd dat [verzoeker] niet heeft deelgenomen aan de verplichte excursies. Dit betekent dat hij het vak niet kan afronden, ongeacht de uitkomst van een nadere tentamengelegenheid voor deeltoets 1. Daarnaast zijn volgens de examencommissie twee tentamengelegenheden aangeboden. Het organiseren van een extra, individuele tentamengelegenheid vergt aanvullende inzet, waaronder het opstellen van een nieuw tentamen, de organisatie van het afnemen daarvan en surveillance daarbij. Mede in acht genomen dat [verzoeker] het vak niet in het lopende studiejaar kan afronden, acht de examencommissie deze inzet niet proportioneel.
5.       Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] op 6 mei 2026 administratief beroep ingesteld bij het CBE.
Kwalificatie van het verzoek van [verzoeker]
6.       Op 1 juni 2026 heeft [verzoeker] beroep ingesteld bij de Afdeling op grond van artikel 6:12 van Pro de Awb wegens het uitblijven van een beslissing van het CBE op zijn administratief beroep. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorziening te treffen. Dit verzoek merkt de voorzieningenrechter aan als een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen hangende administratief beroep als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb. Dit legt hij hierna uit.
6.1.    Niet in geschil is dat de wettelijke termijn waarbinnen het CBE moet beslissen op het administratief beroep van [verzoeker] op dit moment nog niet is verstreken. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hij een geslaagd beroep kan doen op artikel 6:12, derde lid, van de Awb. Deze bepaling is volgens hem juist geschreven voor situaties waarin de reguliere beslistermijn formeel nog loopt, maar redelijkerwijs van een belanghebbende niet kan worden verlangd dat hij die termijn volledig afwacht.
6.2.    Dit standpunt van [verzoeker] berust op een onjuiste lezing van artikel 6:12, derde lid, van de Awb. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid dat een belanghebbende beroep kan instellen bij de bestuursrechter als een bestuursorgaan niet binnen de wettelijke termijn beslist (artikel 6:12, eerste lid). Voordat een belanghebbende dit kan doen, wordt in beginsel van hem verwacht dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt en twee weken zijn verstreken waarin het bestuursorgaan niet alsnog heeft beslist (artikel 6:12, tweede lid). Het derde lid van artikel 6:12 van Pro de Awb voorziet in de situatie dat van een belanghebbende niet kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt en twee weken wacht, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van onverwijlde spoed. Hierbij geldt echter onverkort dat wel sprake moet zijn van een overschrijding van de wettelijke beslistermijn.
6.3.    Als de wettelijke beslistermijn nog niet is verlopen maar er sprake is van onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, heeft een belanghebbende de mogelijkheid om de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb te verzoeken om een voorlopige voorziening treffen. Omdat er volgens [verzoeker] sprake is van een spoedeisend belang dat hij nog tijdens het studiejaar 2025/2026 een tentamengelegenheid krijgt, beoordeelt de voorzieningenrechter hierna of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen zolang het CBE nog niet heeft beslist op het administratief beroep.
Beoordeling van het verzoek
7.       Onder verwijzing naar artikel 4.5 van de Onderwijs- en Examenregeling voert [verzoeker] aan dat hij per studiejaar per vak recht heeft op twee tentamengelegenheden. Doordat hij geen inzage heeft gekregen voorafgaand aan de herkansing, heeft hij dit studiejaar nog geen twee rechtmatige tentamengelegenheden gehad. Wachten totdat het CBE uitspraak heeft gedaan, zou betekenen dat er sprake is van onomkeerbaar rechtsverlies omdat hij niet tijdens het studiejaar 2025/2026 zijn twee tentamenkansen heeft kunnen effectueren, aldus [verzoeker].
7.1.    In reactie op het verzoek heeft het CBE de voorzieningenrechter laten weten dat het administratief beroep van [verzoeker] naar alle waarschijnlijkheid op 17 juni 2026, maar uiterlijk op 9 juli 2026, op een hoorzitting zal worden behandeld zodat [verzoeker] vóór het einde van het academische jaar uitsluitsel heeft. Bij deze reactie heeft het CBE ook een reactie van de examencommissie meegestuurd. Uit deze reactie volgt dat, mocht het CBE haar opdragen om alsnog een tentamengelegenheid voor [verzoeker] te organiseren, dit hertentamen in de laatste week van augustus 2026 zal plaatsvinden.
8.       Gelet op bovenstaande stelt de voorzieningenrechter vast dat er voor [verzoeker] nog een tentamengelegenheid is voor het vak Kunst in Nederland in het studiejaar 2025/2026. Of [verzoeker] daadwerkelijk aan dit tentamen mag deelnemen, is afhankelijk van de beslissing van het CBE waar de voorzieningenrechter in dit geval niet op kan vooruitlopen. Gelet op het door het CBE geschetste tijdpad, ziet de voorzieningenrechter geen reden waarom [verzoeker] deze beslissing niet kan afwachten. Wat [verzoeker] heeft aangevoerd in het kader van zijn voornemen om in het studiejaar 2026/2027 te starten met de masteropleiding Kunst- en cultuurwetenschappen maakt dit niet anders. Gelet hierop moet zijn verzoek daarom als kennelijk ongegrond worden afgewezen wegens het ontbreken aan spoedeisend belang.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026
1064