ECLI:NL:RVS:2026:3591
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Appellant heeft bij besluit van 3 maart 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 april 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Appellant ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen en het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van het vonnis. Er zijn geen nieuwe vragen gerezen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, noch zijn er vragen over Unierechtelijke bepalingen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.