ECLI:NL:RVS:2026:3597
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf
Appellant heeft bij besluit van 26 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Tegen deze afwijzing is bezwaar gemaakt, dat op 10 september 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, dat op 2 februari 2026 eveneens ongegrond werd verklaard.
Appellant stelde daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De griffier wees appellant erop dat het griffierecht uiterlijk op 2 april 2026 betaald moest worden. Na het uitblijven van betaling volgde een aanmaning met een nieuwe termijn tot 22 mei 2026. Ook na deze termijn werd het griffierecht niet voldaan en appellant gaf geen redenen om het hoger beroep toch in behandeling te nemen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het niet voldoen van het griffierecht binnen de gestelde termijnen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 24 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.