ECLI:NL:RVS:2026:3602
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank Den Haag heeft het beroep gegrond verklaard, het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit, dit vernietigd en de minister opgedragen alsnog een besluit te nemen. Tevens legde de rechtbank een dwangsom op en veroordeelde de minister tot een proceskostenvergoeding van € 233,50.
Appellant stelde hoger beroep in tegen de hoogte van deze proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep gegrond verklaard en geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) toepaste in plaats van 0,5 (licht). De uitspraak van de rechtbank is vernietigd voor zover deze de lagere vergoeding oplegde.
De Afdeling veroordeelt de minister tot een proceskostenvergoeding van in totaal € 934,00, verdeeld over € 467,00 voor het beroep en € 467,00 voor het hoger beroep. De zaak werd als licht van aard aangemerkt, passend bij de toegepaste wegingsfactor. Er werden geen vragen opgeroepen over Unierechtelijke bepalingen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 24 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister veroordeeld tot een hogere proceskostenvergoeding van € 934,00 aan appellant.