ECLI:NL:RVS:2026:3605

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001688
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel

Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit en legde de minister een dwangsom en een proceskostenvergoeding van € 233,50 op.

Appellant ging in hoger beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) toepaste in plaats van 0,5 (licht). De Afdeling vernietigde het deel van het vonnis over de proceskostenvergoeding en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van in totaal € 934,00.

De minister had op 22 mei 2026 alsnog het besluit op de aanvraag van appellant genomen en deze ingewilligd. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit besluit, zodat er geen beroep van rechtswege ontstond. Het hoger beroep betrof uitsluitend de proceskostenvergoeding en werd als licht aangemerkt.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de proceskostenvergoeding van de rechtbank en veroordeelt de minister tot een hogere vergoeding van € 934,00.

Uitspraak

BRS.26.001688
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 maart 2026 in zaak nr. NL25.49681 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om alsnog een besluit te nemen, een dwangsom opgelegd en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 22 mei 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1.        De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenvergoeding bij een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 15 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3409, onder 2. Hieruit volgt dat appellant terecht betoogt dat de rechtbank wegingsfactor 0,5 (licht) en niet 0,25 (zeer licht) had moeten toepassen.
2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij onder toepassing van wegingsfactor 0,25, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50. De Afdeling zal de minister alsnog tot een vergoeding van de proceskosten in beroep veroordelen met toepassing van wegingsfactor 0,5. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, en van eenvoudige aard is, merkt de Afdeling de zaak in hoger beroep eveneens als ‘licht’ aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe. Het hogerberoepschrift roept ten slotte geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3.        De minister is in het besluit van 22 mei 2026 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft appellant niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 maart 2026 in zaak nr. NL25.49681, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50.
III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 (€ 467,00 voor het beroep en € 467,00 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
1028