ECLI:NL:RVS:2026:3619

Raad van State

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002689
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 4 EU-HandvestArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag

De minister van Asiel en Migratie nam op 6 maart 2026 het besluit om de asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling te nemen. Betrokkene stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 26 mei 2026 het besluit vernietigde en de minister opdroeg binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitspraak van de rechtbank te schorsen, zodat betrokkene tijdens het hoger beroep aan Portugal kan worden overgedragen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft en dat er geen reëel risico bestaat dat betrokkene bij overdracht aan Portugal een behandeling krijgt die in strijd is met het EU-Handvest of het EVRM. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en de uitspraak van de rechtbank geschorst totdat het hoger beroep is beslist.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt geschorst totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.002689
Datum uitspraak: 25 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 mei 2026 in zaak nr. NL26.12876 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 26 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst totdat de Afdeling op het door hem ingestelde hoger beroep heeft beslist, zodat hij betrokkene tijdens het hoger beroep mag overdragen aan Portugal.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat niet is gebleken dat betrokkene bij overdracht aan Portugal mogelijk een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het op 24 november 2025 door betrokkene ingediende verzoek om internationale bescherming, dan kan betrokkene vanuit Portugal worden teruggeleid naar Nederland. De voorzieningenrechter wijst ter vergelijking op de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1029.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 mei 2026 in zaak nr. NL26.12876, totdat de Afdeling op het door de minister ingestelde hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Lodeweges
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026
625