ECLI:NL:RVS:2026:3624

Raad van State

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002840
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigend vonnis verblijfsdocument EU/EER

De minister van Asiel en Migratie wees op 23 juli 2025 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsdocument EU/EER af te geven af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 19 maart 2026 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 13 mei 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen vier weken een nieuw besluit moest nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van het vonnis van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en dat de procedure voor een voorlopige voorziening geschikt is om de uitvoering van het vonnis tijdelijk op te schorten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De voorlopige voorziening werd toegekend, waardoor de minister niet hoeft te voldoen aan het vonnis van de rechtbank totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist.

Uitkomst: De minister hoeft het vernietigende vonnis van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep door de Raad van State is beslist.

Uitspraak

BRS.26.002840
Datum uitspraak: 25 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 mei 2026 in zaak nr. NL26.16842 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Bij besluit van 19 maart 2026 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026
907