ECLI:NL:RVS:2026:3628

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
202405702/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2e Vw 2000Art. 2g Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking erkenning als referent wegens indirecte betrokkenheid onbetrouwbare rechtspersoon

Appellant, een onderneming die kennismigranten detacheert, kreeg zijn erkenning als referent ingetrokken door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De intrekking was gebaseerd op de onbetrouwbaarheid van Aerok B.V., de eigenaar van appellant, en diens eigenaar. Hoewel Aerok de aandelen in appellant overdroeg aan een stichting, bleef Aerok volgens de minister en rechtbank indirect betrokken vanwege een onherroepelijke optieovereenkomst.

Appellant voerde aan dat de overdracht aan de stichting een definitieve afstand betekende, maar de Raad van State volgde de rechtbank in het oordeel dat de optieovereenkomst en verklaringen van de bestuurder duiden op een tijdelijke constructie om de erkenning te behouden. Hierdoor oefent Aerok nog steeds indirect invloed uit.

De overige grieven van appellant werden ongegrond verklaard omdat zij geen relevante rechtsvragen opriepen. De Raad van State bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De intrekking van de erkenning als referent wordt bevestigd vanwege indirecte betrokkenheid van een onbetrouwbare rechtspersoon.

Uitspraak

202405702/1/V1.
Datum uitspraak: 23 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], gevestigd in [plaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 30 augustus 2024 in zaak nr. NL24.223 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aan appellant verleende erkenning als referent ingetrokken.
Bij besluit van 22 december 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en de intrekking van de erkenning als referent in stand gelaten.
Bij uitspraak van 30 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Wijngaarden, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Appellant is een onderneming die kennismigranten uit het buitenland werft en hen door middel van detachering bij ondernemingen in Nederland plaatst.
De minister heeft de erkenning als referent ingetrokken, omdat de betrouwbaarheid van de bij appellant betrokken rechtspersoon, Aerok B.V. (Aerok) als eigenaar van appellant, en de eigenaar van Aerok, [persoon], niet vaststaat. De minister heeft toepassing gegeven aan artikel 2g, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Daarnaast voldoet appellant, volgens de minister, ook niet aan het vereiste dat de erkenning als referent van een direct of indirect bij de onderneming betrokken rechtspersoon in een periode van vijf jaar direct voorafgaand aan de aanvraag voor de erkenning als referent van appellant niet is ingetrokken (artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000). Appellant is op 16 december 2021 erkend referent geworden. Aerok heeft appellant op 25 januari 2023 overgenomen. De minister heeft het erkend referentschap van Aerok op 16 februari 2023 ingetrokken.
Hangende het bezwaar heeft Aerok de aandelen in appellant overgedragen aan stichting Bicool (de stichting), waar [bestuurder] bestuurder van is. Dit maakt volgens de minister echter niet dat Aerok niet langer betrokken is bij appellant. De rechtbank is de minister in zijn standpunten gevolgd.
2.       Appellant klaagt in de derde grief over het oordeel van de rechtbank dat Aerok ook na het overdragen van de aandelen in appellant aan de stichting nog altijd indirect betrokken is bij appellant. Aerok heeft hangende het bezwaar op 31 oktober 2023 de aandelen overgedragen aan de stichting en heeft geen zeggenschap binnen deze stichting.
2.1.    Appellant voert tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat Aerok wegens het overdragen van de aandelen in appellant aan de stichting vanaf dat moment niet meer betrokken was bij appellant. Bij het overdragen van de aandelen heeft Aerok een optieovereenkomst met de stichting gesloten. Met deze overeenkomst heeft de stichting aan Aerok het onherroepelijke recht verleend tot koop van de aandelen van appellant voor een bedrag van € 1,00. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat de optieovereenkomst van Aerok daarmee voldoende grond biedt voor het oordeel dat Aerok in ieder geval nog indirect betrokken is bij appellant. De Afdeling kan de rechtbank hierbij volgen in haar overweging dat het hier om een constructie gaat om appellant tijdelijk op afstand te zetten van Aerok. Hij behoudt namelijk het onherroepelijke recht om binnen vier jaar de aandelen van appellant terug te kopen voor een bedrag van € 1,00. Verder staat in de verklaring van [bestuurder] van 8 januari 2023 dat Aerok en [persoon] voor een bepaalde periode geen betrokkenheid mochten hebben bij een erkend referent. Daarnaast volgt uit die verklaring dat [bestuurder] geen concrete plannen heeft met appellant, omdat ze net een nieuwe baan heeft, maar beperkt tijd heeft om leiding te geven aan appellant en slechts haar medewerking verleent aan de aandelenoverdracht om te voorkomen dat de kennismigranten die bij appellant in dienst zijn hun verblijfsvergunning zullen verliezen. De rechtbank heeft uit dit alles terecht de conclusie getrokken dat het erop duidt dat Aerok geen definitieve afstand heeft gedaan van appellant, maar het slechts gaat om een tijdelijke constructie om te voorkomen dat appellant zijn erkenning als referent verliest.
Appellant stelt dat, zodra Aerok de aandelen in appellant van de stichting zou terugkopen, dit direct tot gevolg heeft dat voor de minister de grondslag bestaat om de erkenning als referent van appellant in te trekken, omdat de minister Aerok als onbetrouwbaar referent heeft aangemerkt. Appellant stelt dat Aerok geen gebruik zal maken van de optieovereenkomst. Het voorgaande maakt echter niet dat Aerok niet langer bij appellant betrokken is. Aerok kan immers met de optieovereenkomst, die ook nog onherroepelijk is, achter de hand, informeel nog steeds invloed uitoefenen op appellant.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat Aerok nog indirect betrokken is bij appellant. De grief slaagt niet.
3.       De overige grieven leiden ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4.       Het hoger beroep is ongegrond. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026
977