ECLI:NL:RVS:2026:3631
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen vertrekbevel EU in vreemdelingenrecht
Appellant werd bij besluit van 16 juli 2025 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. De rechtbank Den Haag verklaarde het door appellant ingestelde beroep tegen dit besluit ongegrond op 13 februari 2026. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hogerberoepschrift niet voldeed aan de wettelijke eisen van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat appellant niet duidelijk maakte op welke punten de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. In plaats daarvan beriep appellant zich op het recht op privéleven uit artikel 8 EVRM Pro, een grondslag die niet in de uitspraak van de rechtbank aan de orde was gekomen.
Daarom kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep en verklaarde zij het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, op 25 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende motivering.