ECLI:NL:RVS:2026:3642
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Appellant had bij de minister een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 14 november 2025 werd afgewezen. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure liet de minister weten dat appellant met onbekende bestemming Nederland had verlaten en dat de gemachtigde van appellant geen contact meer met hem had. De Afdeling concludeerde hieruit dat appellant geen bescherming meer zoekt in Nederland en daardoor geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.
Op grond hiervan verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.