Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3646

Raad van State

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202503482/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.7 Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020Art. 8 EVRMArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring doorstroming vanuit opvanginstellingen bevestigd

Appellante heeft op 25 april 2024 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘Doorstroming vanuit opvanginstellingen’ zoals opgenomen in artikel 5.7 van bijlage 1 bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft deze aanvraag bij besluit van 26 november 2024 afgewezen, en dit besluit is bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 augustus 2024 bevestigd.

Appellante heeft tegen deze afwijzing beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, die op 22 mei 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak constateert dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor de urgentieverklaring op de grond van doorstroming vanuit opvanginstellingen. Hoewel appellante in beroep en hoger beroep twee andere urgentiegronden aanvoert, behoefde het college deze niet te beoordelen omdat de aanvraag zich niet op deze gronden richtte.

De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en voegt toe dat geen strijd is gebleken met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het gezinsleven beschermt. Ook is er geen sprake van een onevenredige besluitvorming gezien de grote schaarste op de woningmarkt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.

Uitspraak

202503482/1/A2.
Datum uitspraak: 18 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2025 in zaak nr. 24/11047 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Openbare zitting gehouden op 18 juni 2026 om 13:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: mr. A. Wolda
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door mr. O.C. Bozbiyik, advocaat in Rotterdam;
het college, vertegenwoordigd door mr. W. Breure.
====================================
[appellante] heeft op 25 april 2024 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘Doorstroming vanuit opvanginstellingen’ (artikel 5.7 van bijlage 1 bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020).
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 augustus 2024 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 22 mei 2025, waarin het beroep tegen het besluit van 26 november 2024 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden
De Afdeling constateert dat [appellante] niet voldoet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring wegens ‘Doorstroming vanuit opvanginstellingen’.
In beroep en hoger beroep heeft [appellante] een beroep gedaan op twee andere urgentiegronden. Het college hoefde deze urgentiegronden in het bestreden besluit niet te beoordelen, omdat de aanvraag daar geen betrekking op had.
De gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert over de toepassing van de hardheidsclausule, heeft zij ook in beroep aangevoerd. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en overweging 3.2 in de uitspraak van de rechtbank.
Daar voegt de Afdeling aan toe dat niet is gebleken van strijd met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ook onder de omstandigheden die zich voordoen, is gezinsleven als bedoeld in deze bepaling mogelijk. Gelet op de grote schaarste op de woningmarkt is er ook geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming onevenredig is.
Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
284-1112