ECLI:NL:RVS:2026:3646
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring doorstroming vanuit opvanginstellingen bevestigd
Appellante heeft op 25 april 2024 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘Doorstroming vanuit opvanginstellingen’ zoals opgenomen in artikel 5.7 van bijlage 1 bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft deze aanvraag bij besluit van 26 november 2024 afgewezen, en dit besluit is bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 augustus 2024 bevestigd.
Appellante heeft tegen deze afwijzing beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, die op 22 mei 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak constateert dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor de urgentieverklaring op de grond van doorstroming vanuit opvanginstellingen. Hoewel appellante in beroep en hoger beroep twee andere urgentiegronden aanvoert, behoefde het college deze niet te beoordelen omdat de aanvraag zich niet op deze gronden richtte.
De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en voegt toe dat geen strijd is gebleken met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het gezinsleven beschermt. Ook is er geen sprake van een onevenredige besluitvorming gezien de grote schaarste op de woningmarkt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.