ECLI:NL:RVS:2026:3649

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202600660/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 9 Afvalstoffenverordening 2010
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onjuiste aanbieding van huishoudelijk afval en toepassing spoedeisende bestuursdwang

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 1 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een kartonnen doos te verwijderen die naast een ondergrondse afvalcontainer was aangetroffen. Het college ging ervan uit dat appellant de doos onjuist had aangeboden als huishoudelijk afval in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010.

Appellant betoogde dat de doos zijn privé-eigendom was en niet onbeheerd was achtergelaten, omdat hij in de nabijheid stond te wachten op zijn buurman om de doos naar de kringloopwinkel te brengen. Hij voerde ook aan dat de toezichthouder niet herkenbaar was en dat de doos geen hinder veroorzaakte.

De Raad van State oordeelde dat het college terecht aannam dat sprake was van onjuiste aanbieding van afval, omdat de doos op de openbare weg naast de afvalcontainer stond en appellant zich niet als eigenaar kenbaar maakte toen de doos werd meegenomen. Het feit dat de toezichthouder niet herkenbaar was en dat de doos geen hinder veroorzaakte, deed hieraan niet af. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang wegens onjuiste aanbieding van afval is ongegrond verklaard.

Uitspraak

202600660/1/R4.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb )in het geding tussen:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2025 heeft het college zijn beslissing om op 1 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komen.
Bij besluit van 12 februari 2026 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 1 oktober 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met daarop zijn adresgegevens.
2.       [appellant] kan zich niet verenigen met het besluit op bezwaar van 12 februari 2026. Hij betoogt dat de doos geen afval was, maar zijn privé-eigendom. Volgens hem is de doos door hem niet onbeheerd achtergelaten, omdat hij op ongeveer 10 meter afstand in de voortuin bij zijn woning op zijn buurman stond te wachten, die zou helpen de doos naar de kringloopwinkel te brengen. Verder voert [appellant] aan dat hij niet hoefde te vermoeden dat de man die de doos ten onrechte meenam een toezichthouder van de gemeente was omdat deze geen oranje werkkleding droeg. Ook stelt hij dat de doos geen hinder veroorzaakte, omdat deze op de openbare weg achter de auto van zijn buurman was geplaatst. Ten slotte voert [appellant] aan dat hij als milieuactivist en bewoner van de buurt geen afval in de leefomgeving zou achterlaten. In dat verband wijst hij erop dat het dichtstbijzijnde recyclingpunt zich op vijf minuten loopafstand van zijn woning bevindt, zodat er volgens hem geen reden bestond om de doos buiten te laten staan.
3.       Artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 houdt in dat het de gebruiker van een perceel voor wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden is huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel, de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.
4.       Niet in geschil is dat de door de toezichthouder aangetroffen doos ter plaatse is neergezet door [appellant]. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de toezichthouder en, in het verlengde daarvan, het college mocht aannemen dat [appellant] zich van de doos wilde ontdoen en dat dus sprake is van het aanbieden van afvalstoffen als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010.
Door de doos neer te zetten op de openbare weg, heeft [appellant] het risico genomen dat deze door een toezichthouder zou worden aangemerkt als onjuist aangeboden afval.  Dat [appellant] stelt dat de doos geen afval was, maar zijn privé-eigendom, leidt niet tot een ander oordeel omdat dit uit het uiterlijk van de doos en de plaats waar deze stond namelijk naast de afvalcontainer, niet viel af te leiden. Temeer nu [appellant] zich ook niet als eigenaar kenbaar heeft gemaakt toen de doos door een voor hem onbekende derde, waarbij het om een toezichthouder ging, werd meegenomen. Daarbij is niet van belang of de toezichthouder al dan niet oranje werkkleding droeg en al dan niet als zodanig herkenbaar was. Ook de omstandigheid dat de doos volgens [appellant] achter de auto van zijn buurman stond en daarom niet in de weg stond, maakt dit niet anders. Voor het oordeel dat sprake is van onjuiste aanbieding van huishoudelijk afval, is namelijk niet vereist dat de doos feitelijk hinder veroorzaakte. Het college heeft [appellant] als overtreder mogen aanmerken.
Het betoog slaagt niet.
5.       Het beroep is ongegrond.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
195