ECLI:NL:RVS:2026:3650
Raad van State
- Hoger beroep
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding beschadigde eurobankbiljetten wegens vermoedelijke moedwillige beschadiging en gebrek aan goede trouw
Appellant verzocht bij De Nederlandsche Bank (DNB) om vergoeding van beschadigde eurobankbiljetten ter waarde van €4.700, die hij had gekocht voor 70% van de nominale waarde. DNB weigerde de vergoeding en hield de biljetten in, omdat onderzoek van het Nationaal Analyse Centrum (NAC) aantoonde dat de biljetten afkomstig waren uit een partij die was ontvreemd uit een kluis van de Centrale Bank van Libië en moedwillig beschadigd waren door chemische reiniging.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de biljetten moedwillig beschadigd waren en appellant niet te goeder trouw was, mede omdat hij geen factuur kon overleggen en bewust beschadigde biljetten had gekocht tegen een gereduceerde prijs. Appellant voerde in hoger beroep onder meer schending van het hoor en wederhoor, onjuiste uitleg van moedwillige beschadiging en onjuiste bewijslastverdeling aan.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze bezwaren. Zij oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om een contra-expertise te overleggen, dat de moedwillige beschadiging bestond uit de chemische reiniging die bewust werd toegepast, en dat DNB terecht aannam dat appellant niet te goeder trouw was. De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergoeding voor de beschadigde bankbiljetten wordt bevestigd.