Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3658

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202403022/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.2 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.18 WaboArt. 25 planregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning bouw twee woningen en aanleg uitwegen in Stellendam

Het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee verleende op 12 april 2021 een omgevingsvergunning aan VAVO B.V. voor de bouw van twee woningen en de aanleg van uitwegen in Stellendam. Na bezwaar werd het besluit op enkele punten aangepast, waaronder de toevoeging van een tweede uitweg. Appellanten, wonend in de directe omgeving, maakten bezwaar tegen het besluit vanwege vermeende strijd met het bestemmingsplan, aantasting van woon- en leefklimaat en verkeersveiligheid.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de anti-dubbeltelbepaling uit artikel 25 van Pro de planregels niet zelfstandig kan worden toegepast, maar alleen in samenhang met concrete planregels. Er is geen beperking op het aantal woningen in het bestemmingsplan opgenomen en het maximumbebouwingspercentage wordt niet overschreden.

Verder werd geoordeeld dat de functiewijziging van bedrijfsmatig naar wonen niet in strijd is met het bestemmingsplan. De Afdeling verwierp ook de bezwaren over de welstandstoets en het ontbreken van een verkeersveiligheidsonderzoek, en stelde dat de beleidsregels van een andere gemeente niet van toepassing zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning blijft in stand.

Uitspraak

202403022/1/R3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Stellendam, gemeente Goeree-Overflakkee,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2024 in zaak nr. 21/5930 in het geding tussen onder meer:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee.
Procesverloop
Bij besluit van 12 april 2021 heeft het college aan VAVO B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van twee woningen en de aanleg van een uitweg ten behoeve van vier parkeerplaatsen aan [locatie 1] en [locatie 2] in Stellendam.
Bij besluit van 14 oktober 2021 heeft het college het door onder meer [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Met het besluit is de omgevingsvergunning op enkele punten gewijzigd.
Bij uitspraak van 18 april 2024 heeft de rechtbank het door onder meer [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellant B] anderen hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Hoogerwerf en S. van Kempen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       VAVO B.V. heeft op 22 december 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van twee woningen aan [locatie 1] en [locatie 2] in Stellendam en het maken van een uitweg ten behoeve van vier parkeerplaatsen. Het college heeft de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo verleend. Met het besluit van 14 oktober 2021 heeft het college het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen op enkele punten aangepast. Zo heeft het, na een wijziging van de aanvraag, een tweede uitweg aan de omgevingsvergunning toegevoegd. Ook heeft het college een tweede nader welstandsadvies aan het besluit ten grondslag gelegd.
2.1.    De woningen worden gerealiseerd op percelen die tot december 2020 samen met de aangrenzende percelen één aangesloten kadastraal perceel vormde. Op de plek waar de woningen worden gerealiseerd stond eerst een bijgebouw van de woning aan [locatie 3].
2.2.    [appellant A] en [appellant B] wonen op [locatie 4] in Stellendam, in de directe omgeving van de percelen waarop de woningen en de uitwegen worden gerealiseerd. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat en een negatieve invloed van de uitwegen op de verkeersveiligheid.
Relevante regeling
3.       Op de percelen is het bestemmingsplan "Dorpsgebied Stellendam en Havenhoofd 2011" van toepassing. De percelen hebben de bestemming "Centrum". Het gehele bestemmingsvlak waar de percelen onderdeel van uitmaken is als bouwvlak aangewezen. Ook zijn aan de gronden de aanduidingen "Maximum bebouwingspercentage terrein (%): 60" en "Maximum goothoogte (m): 6" toegekend.
4.       De overige relevante wet- en regeling staat in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel van de uitspraak.
Hoger beroepsgronden
Strijd met bestemmingsplan
Toepassing anti-dubbeltelbepaling
5.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de anti-dubbelbepaling uit artikel 25 van Pro de planregels alleen kan worden toegepast in relatie tot een concrete planregel. Volgens hen is de anti-dubbeltelbepaling een bepaling waaraan zelfstandig getoetst dient te worden. Dit volgt uit het Besluit ruimtelijk ordening (Bro) en de toelichting daarvan. Zij wijzen erop dat het perceel [locatie 3] bij de vaststelling van het bestemmingplan uit één geheel bestond, lopend van de Voorstraat tot aan de Mr. Iman Caustraat. De grond waarop de omgevingsvergunning ziet, was dus al bebouwd en mag op grond van artikel 25 van Pro de planregels niet worden gebruikt bij latere bouwplannen.
[appellant A] en [appellant B] betogen in dit kader verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de planregels geen beperking stellen aan het maximumaantal woningen op een bouwperceel. Volgens hen is dat namelijk niet relevant. Zij voeren aan dat het goed mogelijk is dat de raad bij de vaststelling van het plan geen noodzaak heeft gezien om een expliciete beperking op het aantal woningen op te nemen, omdat met de anti-dubbeltelbepaling in artikel 25 van Pro de planregels al was gewaarborgd dat geen nieuwe bouwpercelen kunnen ontstaan. Dat het bestemmingsplan consoliderend van aard is, ondersteunt volgens hen deze uitleg.
Zij betogen tot slot dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met het verlenen van de omgevingsvergunning feitelijk ook sprake is van een functiewijziging. In de woning aan [locatie 3] was namelijk voorheen een bakkerij gevestigd. De rechtbank heeft ook niet onderkend dat er sprake is van een gebruiksverandering, omdat de gronden voortaan gebruikt worden voor meerdere woningen.
5.1.    Artikel 25 van Pro de planregels luidt:
"Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing."
5.2.    De Afdeling stelt voorop dat artikel 25 van Pro de planregels de anti-dubbeltelbepaling bevat die op grond van artikel 3.2.4 van het Bro verplicht in bestemmingsplannen moet worden opgenomen. De rechtbank heeft in overweging 9.4 van haar uitspraak terecht overwogen dat deze anti-dubbeltelbepaling alleen kan worden toegepast in relatie tot een concrete planregel. De anti-dubbeltelbepaling is geen op zichzelf staande bepaling, maar alleen van betekenis bij het toepassen van de voor het aangevraagde bouwplan relevante planregels. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat in de planregels geen bepaling is opgenomen met betrekking tot het maximaal toegestaan aantal woningen, zodat het college voor wat betreft het aantal woningen de omgevingsvergunning niet in strijd met de anti-dubbeltelbepaling heeft verleend. De verwijzing van [appellant A] en [appellant B] naar het Bro en de toelichting daarvan, in het bijzonder de door hen aangehaalde "rustende-boer-regeling" geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. In dit in de toelichting van het Bro opgenomen voorbeeld is namelijk wél een planregel over het maximaal toegestane aantal woningen opgenomen.
De rechtbank heeft in overweging 9.5 van haar uitspraak vervolgens overwogen dat de enige bouwregel die in dit geval van betekenis kan zijn artikel 6.2.1, onder d, van de planregels is. Op grond daarvan mag het maximumbebouwingspercentage per bouwperceel ten hoogste 60% bedragen. De Afdeling stelt, evenals de rechtbank, vast dat tussen partijen niet in geschil is dat dit percentage op het kadastrale perceel waarop het bouwplan zal worden gerealiseerd met de realisering van het bouwplan, niet wordt overschreden. Ook in zoverre heeft de rechtbank dus terecht geoordeeld dat er geen strijd is met artikel 25 van Pro de planregels.
5.3.    Het betoog van Dam en [appellant B], dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de planregels geen beperking stellen aan het maximumaantal woningen op een bouwperceel, omdat met de anti-dubbeltelbepaling in artikel 25 van Pro de planregels al was gewaarborgd dat geen nieuwe bouwpercelen kunnen ontstaan, volgt de Afdeling gelet op het voorgaande dan ook niet.
5.4.    Wat betreft het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van een functiewijziging, overweegt de Afdeling als volgt. Uit artikel 6.1, aanhef en onder b, van de planregels volgt dat de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd zijn voor wonen met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Dit artikel bevat geen verplichting om wonen met een bedrijfsmatige activiteit te combineren. Het plan maakt dat alleen mogelijk. Dat de gronden niet langer bedrijfsmatig worden gebruikt, betekent dus niet dat het college de omgevingsvergunning niet kon verlenen. Het betoog [appellant A] en [appellant B] dat de planregels er aan in de weg staan om meerdere woningen op het perceel te gebruiken, volgt de Afdeling ook niet. In de planregels is ook een dergelijke bepaling niet opgenomen.
5.5.    De Afdeling concludeert dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 25 van Pro de planregels heeft verleend.
Het betoog slaagt niet.
Uitleg bouwregels
6.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee extra zelfstandige woningen niet langer sprake kan zijn van "zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing" als bedoeld in artikel 1.29 van de planregels. Volgens hen kan door de enkele splitsing van een kadastraal perceel namelijk geen nieuw bouwperceel ontstaan. Dat betekent dat het bouwperceel in dit geval nog steeds bestaat uit het oorspronkelijke perceel, zoals dat bestond voor de splitsing. Op dat oorspronkelijke perceel was al een woning aanwezig. Met de omgevingsvergunning worden nu binnen datzelfde bouwperceel meerdere woningen toegestaan, die geen "zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing" zijn, zodat sprake is van strijd met artikel 1.29 van de planregels
6.1.    Artikel 1.29 van de planregels luidt:
"bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten."
6.2.    Het betoog van [appellant A] en Dam-Moerkerk in hoger beroep is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9.4 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar aan toe dat met de splitsing van een kadastraal perceel wel degelijk een nieuw bouwperceel kan ontstaan, bijvoorbeeld wanneer die splitsing gepaard gaat met een wijziging in de eigendomsverhouding. Op de zitting hebben partijen bevestigd dat dat hier het geval is.
Het betoog slaagt niet.
Redelijkheid en billijkheid en artikel 4:84 van Pro de Awb
7.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het onverkort vasthouden aan de letterlijke lezing van de planregels door het college in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De toelichting op het bestemmingsplan staat namelijk haaks op de feitelijke mogelijkheden van de letterlijke tekst van de planregels. Daaraan vasthouden is volgens hen een vorm van onrechtmatig bestuur of op zijn minst niet meer proportioneel.
Zij betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten afwijken van de planregels. Het is duidelijk dat het bij de vaststelling van het plan nooit de bedoeling is geweest om extra woningen te toe te staan.
7.1.    Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.
7.2.    De Afdeling is van oordeel dat de voor het aangevraagde bouwplan relevante planregels duidelijk zijn. Dit betekent dat aan de plantoelichting geen betekenis toekomt bij de uitleg van de planregels. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval niet heeft kunnen uitgaan van een letterlijke lezing van de planregels. Het betoog slaagt op dit punt dus niet.
7.3.    Wat het betreft het betoog dat het college op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb had moeten afwijken van de planregels, overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’. Dat is een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Uit dit stelsel vloeit voort dat geen ruimte bestaat om een omgevingsvergunning op andere gronden te weigeren, zie ook de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3756, overweging 6.4. Het betoog slaagt ook op dit punt niet.
Welstand
Achterwegsituatie
8.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de situatie op deze Achterweg zo uniek is dat niet zomaar van de bestaande rechtspraak kan worden uitgegaan, zoals de rechtbank ten onrechte heeft overwogen.
8.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank in overweging 12.4 van haar uitspraak terecht overwogen dat volgens vaste rechtspraak de welstandstoets zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft het algemeen bestuur - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandsbeoordeling een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de regels en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.
De rechtbank heeft overwogen dat de bouw van woningen op deze plaats per definitie in meer of mindere mate een afwijking inhoudt van het uitgangspunt uit de Nota om de oorspronkelijke bouwopzet van de Achterwegen zo veel mogelijk te behouden. Het college heeft zich volgens de rechtbank echter op het standpunt kunnen stellen dat de welstandstoets in dit geval niet zo ver moet gaan dat de verwezenlijking van deze bouwmogelijkheid uit het bestemmingsplan geheel onmogelijk wordt gemaakt. De Afdeling kan zich vinden in deze overweging van de rechtbank en zit geen aanleiding om daar anders over te oordelen.
Het betoog slaagt niet.
Welstandsadvies
9.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het welstandsadvies zorgvuldig tot stand is gekomen. Zij voeren aan dat de mr. Iman Caustraat moet worden aangemerkt als een Achterweg als bedoeld in paragraaf 1.2.2 van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2016 (de Nota). Daarin is bepaald dat de oorspronkelijke bouwopzet van de Achterwegen zoveel mogelijk behouden moet blijven. De welstandscommissie is niet ingegaan op hun bezwaargrond dat het bouwplan niet aan deze eis voldoet. Het college heeft zich daarom niet op het welstandsadvies mogen baseren.
9.1.    Zoals hiervoor weergegeven onder 8.1 moet de welstandstoets zich richten naar de bebouwingsmogelijkheden van het plan. Er is voor het college daarom geen reden om een welstandsadvies, dat niet expliciet ingaat op een criterium dat die bouwmogelijkheden belemmert, niet aan zijn besluit ten grondslag te leggen. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat het welstandsadvies niet onzorgvuldig tot stand is gekomen, zodat het college zich op het welstandsadvies mocht baseren.
Het betoog slaagt niet.
Gevaarlijke situatie uitwegen
10.     [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de met het besluit van 14 oktober 2021 vergunde uitwegen in de praktijk tot onaanvaardbare situaties leiden. Zij voeren aan dat de doelstelling van de Algemene Plaatselijke Verordening Goeree-0verllakkee 2020 (de APV) is om nieuwe potentieel gevaarlijke situaties te voorkomen. In dit geval is sprake van volledig blinde uitwegen die haaks aansluiten op een openbare weg. Daar komt bij dat het college geen verkeersveiligheidsonderzoek heeft laten instellen. De omgevingsvergunning is daarom in strijd met artikel 2:12, tweede lid, onder a, van de APV verleend.
[appellant A] en [appellant B] hebben in een nader stuk verder betoogd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omgevingsvergunning vergunning ook in strijd met artikel 2:12, tweede lid, onder f, van de APV is verleend. Op grond van dit artikel mag een uitweg niet in een voortuin worden gerealiseerd. Uit de definitiebepaling van de Beleidsregels uitritten en uitwegen verkeer en vervoer (de Beleidsregels) volgt volgens hen dat de gronden voor de woningen moeten worden aangemerkt als voortuin.
Zij hebben tot slot in een nader stuk betoogd dat het college de vergunning in strijd met artikel 4.3.1 van de Beleidsregels heeft verleend. De uitrit bevindt zich namelijk binnen 5 m van een kruising, wat op grond van dat artikel niet is toegestaan.
10.1.  De Afdeling stelt voorop dat op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo in samenhang met artikel 2:12, eerste lid, van de APV voor het maken van een uitweg een omgevingsvergunning nodig is. Deze kan op grond van artikel 2.18 van de Wabo alleen worden geweigerd op grond van weigeringsgronden die zijn opgenomen in de APV. In dit geval bevat artikel 2:12, tweede lid, van de APV die weigeringsgronden. De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2:12, tweede lid, onder a en f, van de APV heeft verleend. De Afdeling verwijst in de eerste plaats kortheidshalve naar overweging 16.2 van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding daar anders over te oordelen. Met betrekking tot de beleidsregels wijst de Afdeling erop dat, zoals het college dat ook heeft gedaan, deze beleidsregels niet van de gemeente Goerree-Overflakkee zijn maar van de gemeente Renkum. Deze beleidsregels zijn daarom niet van toepassing en geven dus ook geen aanleiding voor een ander oordeel.
Het betoog slaagt niet.
Overige beroepsgronden
11.     Voor de beroepsgronden over de plantoelichting en de weigering van het college om een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen aan [locatie 5] te verlenen, verwijst de Afdeling kortheidshalve naar de overwegingen van de rechtbank. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen.
Conclusie
12.     Het hoger beroep is ongegrond.
13.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
884-1139
Bijlage
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…]
Artikel 2.2
1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
[…]
e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,
[…]
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
[..]
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
[…]
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
[…]
Artikel 2.18
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
Bestemmingsplan "Dorpsgebied Stellendam en Havenhoofd 2011"
1.29 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten
6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]
b. wonen met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
[…]
6.2 Bouwregels
Op deze gronden mag gebouwd worden en gelden de volgende regels:
6.2.1 Gebouwen
a. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
[…]
d. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt per bouwperceel ten hoogste het met de aanduiding 'maximumbebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100% van het bouwvlak.
Artikel 25 Antidubbeltelregel Pro
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Algemene plaatselijke verordening Goeree-Overflakkee 2020
Artikel 1:8 Weigeringsgronden Pro
1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in  het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu.
[…]
Artikel 2:12 Maken Pro of veranderen van een uitweg
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt Pro de vergunning slechts geweigerd:
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
[…]
f. indien de uitweg wordt ontsloten via de voortuin: of
[…]