Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3660

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202504211/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek overname private schuld toeslagenaffaire wegens onduidelijkheid rechtsgeldigheid

De zaak betreft het hoger beroep van een gedupeerde van de toeslagenaffaire tegen het besluit van de minister van Financiën om haar verzoek tot overname van een private schuld van 51.000 Antilliaanse gulden niet te honoreren. De schuld bestaat uit achterstallige huur en een contractuele boete aan een guesthouse over de periode januari 2017 tot juli 2019.

De minister weigerde de schuld over te nemen omdat op basis van de ingediende stukken niet kon worden vastgesteld dat sprake was van een rechtsgeldige schuld. De rechtbank had dit standpunt bevestigd en het beroep van appellante ongegrond verklaard. Appellante voerde aan dat zij voldoende stukken had overgelegd, waaronder een huurovereenkomst, facturen en aanmaningen, en dat de minister het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door geen nader onderzoek te doen.

De Raad van State oordeelde dat de stukken onduidelijkheden bevatten, zoals onverklaarde boetebedragen, een factuurdatum die niet strookt met het verblijf van appellante, en een huurovereenkomst die was getekend voordat de schuldeiser was opgericht. De minister had voldoende onderzoek gedaan via Sociale Banken Nederland en appellante had onvoldoende opheldering gegeven. Daarom was het besluit van de minister niet onzorgvuldig en was het beroep ongegrond.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister tot afwijzing van de overname van de schuld wordt bevestigd.

Uitspraak

202504211/1/A2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2025 in zaak nr. 24/8978 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2024 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om private schulden over te nemen afgewezen.
Bij besluit van 10 september 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 april 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.W.E. Ros, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Het geschil beperkt zich tot haar verzoek aan de minister om overname van een schuld van 51.000,00 Antilliaanse gulden (ANG) aan [guesthouse] (de schuld). De schuld bestaat uit achterstallige huur over de periode van januari 2017 tot en met juli 2019 van in totaal 42.729,47 ANG en een contractuele boete van in totaal 8.270,53 ANG.
2.       De minister heeft geweigerd de schuld over te nemen, onder meer omdat op basis van de door [appellante] ingediende stukken niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een rechtsgeldige schuld.
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de schuld terecht niet heeft overgenomen.
Beoordeling van het hoger beroep
4.       [appellante] betoogt onder meer dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een rechtsgeldige schuld. Zij voert hiervoor aan dat zij meerdere stukken heeft overgelegd die de schuld onderbouwen, waaronder de huurovereenkomst van 23 november 2016, een factuur van 23 december 2016, een betalingsherinnering van 20 september 2017 en een aanmaning van 23 juni 2018. Daarbij stelt zij dat het niet ongebruikelijk is dat bij het opstellen van een verzamelnota achteraf een eerdere factuurdatum wordt opgenomen. Zij erkent dat de stukken vragen oproepen, maar dat daaruit wel duidelijk volgt dat de schuld bestaat. Meer stukken heeft zij niet. In het verlengde hiervan betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister het zorgvuldigheidbeginsel niet heeft geschonden. De minister had in de onduidelijkheden in de stukken over onder meer de samenstelling van de boetebedragen aanleiding moeten zien om nader onderzoek te doen.
4.1.    De rechtbank heeft - nadat zij [appellante] de gelegenheid had gegeven om opheldering te geven over een aantal bij de rechtbank gerezen vragen over de schuld - terecht overwogen dat het onduidelijk is waar de door [guesthouse] in rekening gebrachte boetebedragen op zijn gebaseerd. Dit kan noch uit de huurovereenkomst, noch uit de daarbij behorende algemene voorwaarden worden opgemaakt. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat het onduidelijk is hoe het mogelijk is dat in de door [appellante] overgelegde factuur van 23 december 2016 al het volledige bedrag aan de in de loop der tijd opgebouwde huurachterstand, inclusief boetebedragen, in rekening is gebracht. [appellante] verbleef op 23 december 2016 namelijk nog maar een maand in [guesthouse]. De opmerking van [appellante] dat het om een vooruitbetaling ging, rijmt niet met de vermelding "huurachterstand" op de factuur. Verder heeft de rechtbank terecht geconstateerd dat in de factuur van 23 december 2016 de vervaldatum op 1 december 2023 is gesteld. De vervaldatum is dan dus kennelijk op ruim zeven jaar later vastgesteld, waarvoor geen verklaring is gegeven. Die vervaldatum rijmt op zichzelf ook niet met de stelling van [appellante] dat zij deze factuur "pas" in 2020 heeft ontvangen. Daarbij stelt de Afdeling vast dat [appellante] de door haar overgelegde huurovereenkomst op 23 november 2016 heeft getekend, terwijl uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Curaçao blijkt dat [guesthouse] pas op 26 april 2017 is opgericht. Bovendien is de factuur van 23 december 2016 naar een adres in Rotterdam verstuurd, terwijl [appellante] op de factuurdatum in [guesthouse] verbleef. Ook is het opmerkelijk dat de huurovereenkomst bij brief van 19 juni 2019, en dus pas nadat [appellante] twee jaar en zeven maanden geen huur had betaald, is opgezegd. Desgevraagd op de zitting heeft de gemachtigde van [appellante] steeds enkel geantwoord dat er kennelijk fouten zitten in de factuur en dat zij geen andere verklaring kan geven dan dat het in Curaçao anders gaat dan in Nederland. Dat mag zo zijn, maar dit enkele antwoord volstaat niet ter verklaring van de terechte vraagtekens die zowel de minister als de rechtbank op grond hiervan bij de schuld heeft geplaatst. De stelling dat in elk geval wel duidelijk is dát de schuld bestaat, kan dan ook niet worden gevolgd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister zich, gelet op al het voorgaande, terecht op het standpunt gesteld dat op basis van de door [appellante] ingediende stukken niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een rechtsgeldige schuld en heeft de minister alleen al hierom de schuld terecht niet overgenomen.
4.2.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het besluit van de minister niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het dossier blijkt dat Sociale Banken Nederland (SBN) herhaaldelijk informatie heeft opgevraagd bij de schuldeiser en dat de minister deze informatie in zijn besluitvorming heeft betrokken. Gelet op de aard en omvang van de onduidelijkheden in de stukken lag het primair op de weg van [appellante] om opheldering te verschaffen en was het niet aan de minister om meer onderzoek te doen dan SBN al heeft gedaan.
4.3.    De gronden slagen niet.
4.4.    Omdat de minister alleen al gelet op het onder 4.1 overwogene de schuld terecht niet heeft overgenomen, komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van de overige gronden.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
154-1160