AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing huisvestingsvoorziening wegens geen constructiefout klimaatinstallatie
De Stichting voor Onderwijs op Reformatorische Grondslag, bevoegd gezag van het Van Lodenstein College, diende een aanvraag in voor een huisvestingsvoorziening vanwege een ontwerpfout in de klimaatinstallatie die sinds de bouw niet toereikend was. Het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe wees deze aanvraag af, stellende dat de gebrekkige klimaatinstallatie geen constructiefout is zoals bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo) en de gemeentelijke verordening.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat er geen sprake was van schade aan het gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of bederf, noch van kosten voor het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade. De financiële schade door herstelwerkzaamheden werd niet als schade aan het gebouw beschouwd. De Stichting stelde dat de klimaatinstallatie wel onderdeel van het gebouw is en dat de ontwerpfout op termijn tot materiële schade zou leiden, maar dit werd door de rechtbank en nu ook door de Raad van State verworpen.
De Raad van State overwoog dat de gemeenteraad beoordelingsruimte heeft bij de invulling van het begrip 'constructiefout' in de verordening en dat de definitie niet enger is dan door de wetgever bedoeld. De gebrekkige klimaatinstallatie, hoewel veroorzaakt door een ontwerpfout, leidt niet tot materiële schade aan het gebouw en valt daarom niet onder de constructiefouten die voor bekostiging in aanmerking komen. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de ontoereikende klimaatinstallatie geen constructiefout vormt en wijst het hoger beroep af.
Uitspraak
202405693/1/A2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting voor Onderwijs op Reformatorische Grondslag, gevestigd in Amersfoort,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 augustus 2024 in zaak nr. 23/476 in het geding tussen:
de Stichting
en
het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe.
Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2021 heeft het college een aanvraag van de Stichting voor een huisvestingsvoorziening voor herstel van een constructiefout, afgewezen.
Bij besluit van 7 december 2022 heeft het college het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank het door de Stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de Stichting hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 januari 2026, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. J. Streefkerk, advocaat in Utrecht, en G.R. van Leeuwen, voorzitter van het college van bestuur, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.H. Plambeck en mr. C.J.R. van Binsbergen, beiden advocaat in Bodegraven, zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Inleiding
2. De Stichting is het bevoegd gezag van het Van Lodenstein College in Kesteren (hierna: het VLC). Zij heeft op 13 januari 2021 een aanvraag ingediend voor een huisvestingsvoorziening vanwege een gestelde constructiefout. Door een ontwerpfout is de klimaatinstallatie sinds de bouw van het VLC niet toereikend. De Stichting heeft de klimaatinstallatie op eigen kosten uitgebreid. Daarmee was een investering van € 2,4 miljoen gemoeid, waarvan € 800.000,00 is gesubsidieerd door het Rijk. Ter onderbouwing van de aanvraag heeft de Stichting onder andere een rapport bijgevoegd van DWA/ingenieurs en adviseurs. Uit dit rapport volgt dat de klimaatinstallatie bij oplevering van het gebouw al niet voldeed aan het Bouwbesluit 2003.
Besluitvorming
3. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 14 september 2021 afgewezen op grond van het destijds geldende artikel 76k, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo), omdat er geen sprake is van herstel van een constructiefout in de zin van artikel 76c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvo en artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Neder-Betuwe 2015 (de Verordening). Bij de besluitvorming heeft het college een rapport van Toets+Bouw B.V. van 3 juni 2021 betrokken. Uit dit rapport volgt dat de klimaatinstallatie niet voldeed aan de eisen in afdeling 3.10 van het Bouwbesluit 2003.
Bij het besluit van 7 december 2022 heeft het college de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten. Volgens het college is de gebrekkige klimaatinstallatie geen constructiefout, omdat de gebrekkige klimaatinstallatie niets te maken heeft met de constructie van het gebouw. Het college heeft aan het besluit op bezwaar aanvullend ten grondslag gelegd dat de Stichting als bouwheer van het schoolgebouw onvoldoende toezicht heeft gehouden op het ontwerp en de bouw, en de aanvraag daarom kon worden geweigerd op grond van artikel 76k, tweede lid, van de Wvo.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag om bekostiging van een voorziening in de onderwijshuisvesting terecht op grond van artikel 76k, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvo heeft afgewezen. In dit verband heeft het college zich naar oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een constructiefout als bedoeld in artikel 76c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvo, omdat er geen schade is aan het gebouw dat is veroorzaakt door eigen gebrek of bederf noch kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie als bedoeld in artikel 2 vanPro de Verordening. Weliswaar was het binnenklimaat van het schoolgebouw niet overeenkomstig de daaraan te stellen eisen als gevolg van een ontwerpfout van het ventilatiesysteem, maar van schade aan het gebouw zelf is geen sprake. De schade bestaat slechts uit het financiële nadeel van de herstelwerkzaamheden, maar dat is geen schade aan het gebouw in de zin van artikel 2 vanPro de Verordening. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat deze uitleg van de Verordening, anders dan de Stichting heeft gesteld, in lijn is met de bekostigingssystematiek van de Wvo. Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet meer toegekomen aan de vraag of de Stichting dan wel het college voldoende toezicht heeft gehouden op het ontwerpproces en de uitvoering daarvan.
Hoger beroep en beoordeling
5. Niet in geschil is dat de klimaatinstallatie sinds de oplevering van het gebouw niet toereikend is door een ontwerpfout. De vraag is of de ontoereikende klimaatinstallatie een constructiefout is in de zin van artikel 76c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvo en artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening, waardoor het college een huisvestingsvoorziening had moeten verstrekken.
6. De Stichting voert aan dat de bevoegdheid van de gemeenteraad in artikel 76m, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvo, niet zo ver reikt dat de gemeenteraad bij de Verordening eigen definities aan wettelijke termen kan geven. Ook is de door de gemeenteraad in de Verordening gegeven definitie van ‘constructiefout’ veel enger geformuleerd dan de wetgever heeft beoogd. De wetgever heeft namelijk beoogd om alle ontwerpfouten, uitvoeringsfouten en andere fouten, die resulteren in wanprestatie voor rekening van het college te brengen.
6.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de wetgever heeft beoogd de gemeenteraad bij de invulling van het begrip ‘constructiefout’ in de gemeentelijke verordening beoordelingsruimte te geven. In de memorie van toelichting van de Wvo (Kamerstukken II 1995/96, 24 455, nr. 3, p. 29-30) is vermeld dat in elk geval de voorzieningen die in de wet zelf globaal zijn aangegeven, in de gemeentelijke verordening worden uitgewerkt. In de Wvo is geen definitie gegeven voor het begrip ‘constructiefout’. Daarmee is de voorziening voor herstel van een constructiefout globaal geformuleerd en komt de gemeenteraad beoordelingsruimte toe bij de invulling van de voorziening. Ook volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wvo niet dat de invulling die de gemeenteraad heeft gegeven aan het begrip ‘constructiefout’ enger is geformuleerd dan de wetgever heeft beoogd. De gemeenteraad mocht dus de invulling geven aan het begrip ‘constructiefout’ zoals hij dat in artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
7. De Stichting voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de uitbreiding van de klimaatinstallatie niet geldt als een constructiefout in de zin van de Verordening. Er is wel sprake van schade aan het gebouw veroorzaakt door een eigen gebrek. De klimaatinstallatie maakt onderdeel uit van het gebouw omdat deze aard- en nagelvast is verbonden. Voor de uitbreiding van de klimaatinstallatie was een ingrijpende bouwkundige aanpassing noodzakelijk. Daarnaast is er ook sprake van een ontwerpfout, uitvoeringsfout of wanprestatie waardoor nog niet zichtbare materiële schade ontstaat. Het gebrek in de klimaatinstallatie is terug te voeren op een ontwerpfout, en zou op lange termijn onherroepelijk resulteren in schade aan het gebouw. De rechtbank heeft een verkeerde uitleg gegeven aan de rechtspraak.
7.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen sprake is van een constructiefout in de zin van artikel 2, aanhef en onder b van de Verordening. Volgens artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening bestaan constructiefouten uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie. Onder A9 van bijlage I bij de Verordening, volgt dat er sprake is van een constructiefout als een bouwkundig rapport uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden. Uit zowel het rapport van DWA als het rapport van Toets+Bouw volgt dat er sprake is van een gebrekkige klimaatinstallatie die is veroorzaakt door een ontwerpfout. Niet is komen vast te staan dat deze ontwerpfout heeft geleid of zal leiden tot materiële schade aan het gebouw. De gebrekkige installatie is daarom geen constructiefout als bedoeld in de Verordening.
7.2. De rechtbank heeft hierbij terecht overwogen dat aan de door de Stichting aangehaalde rechtspraak geen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. In de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:50, is immers niet in geschil dat sprake is van een constructiefout en in de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 mei 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2507, laat de rechtbank zich niet uit over de vraag waarom een gebrekkig binnenklimaat kwalificeert als een constructiefout.
8. De rechtbank heeft daarom met juistheid geoordeeld dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen op grond van artikel 76k, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvo, omdat er geen sprake is van een constructiefout.
9. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
705-1177
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet op het voortgezet onderwijs
Artikel 76b
1. De gemeenteraad draagt onderscheidenlijk burgemeester en wethouders dragen ten behoeve van de gemeentelijke en van de andere dan gemeentelijke scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk. Hij behandelt onderscheidenlijk zij behandelen daarbij de gemeentelijke en de andere dan gemeentelijke scholen op gelijke voet.
[…]
Artikel 76c
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder voorzieningen in de huisvesting begrepen:
[…]
b. herstel van constructiefouten aan het gebouw of het terrein;
[..]
Artikel 76k
1. Een voorziening in de huisvesting wordt slechts geweigerd indien:
a. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 76c,
[…]
2. Een voorziening in de huisvesting kan tevens worden geweigerd, indien de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.
Artikel 76m
1. De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast met betrekking tot:
a. de voorzieningen die ingevolge artikel 76c voor bekostiging in aanmerking kunnen worden gebracht,
Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden:
[…]
b. herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;