Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3667

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202205431/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.8 Wet brpArt. 2.10 Wet brpArt. 2.58 Wet brpArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging persoonsgegevens in basisregistratie personen

Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Maashorst om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp), omdat zij stelt dat de geregistreerde gegevens niet haar echte persoonsgegevens zijn. Het college wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank gaf appellant deels gelijk en vernietigde het besluit op bezwaar, waarna het college en appellant hoger beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling beoordeelde de overgelegde documenten, waaronder een Chinees paspoort, een notariële geboorteakte, een hukou (gezinsregistratie), een PSB-verklaring en een oude Chinese identiteitskaart. Het college betoogde dat de notariële geboorteakte en PSB-verklaring geen brondocumenten zijn omdat het onderliggende authentieke bewijs ontbreekt, en dat het paspoort en de ID-kaart onvoldoende bewijskracht hebben vanwege onduidelijkheden over de identiteit en het onderzoek voorafgaand aan afgifte.

De Afdeling oordeelde dat de notariële geboorteakte en PSB-verklaring inderdaad niet als brondocumenten kunnen gelden, en dat het college terecht twijfels heeft over het onderzoek bij de afgifte van het paspoort. Hoewel de ID-kaart authentiek is, is het verband met appellant onvoldoende aangetoond. De Afdeling concludeerde dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd om de persoonsgegevens in de brp te wijzigen en verklaarde het beroep van rechtswege ongegrond, terwijl het hoger beroep van het college gegrond werd verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van persoonsgegevens in de basisregistratie personen wordt afgewezen.

Uitspraak

202205431/1/A3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.       het college van burgemeester en wethouders van Maashorst,
2.       [appellant sub 2], wonend in Uden, gemeente Maashorst,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 22 juli 2022 in zaak nr. 21/2324 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2021 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.
Bij besluit van 12 augustus 2021 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 juli 2022 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 augustus 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 2] heeft ook incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 18 september 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant sub 2] opnieuw ongegrond verklaard.
[appellant sub 2] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 17 september 2024.
Het college heeft een reactie ingediend.
Naar aanleiding van de overzichtsuitspraak van 22 oktober 2025, waarin het beoordelingskader is vernieuwd en gewijzigd, heeft de Afdeling bij brief van 14 november 2025 aan partijen gevraagd - zonder vooruit te lopen op de inhoudelijke behandeling van de zaak - of dit gewijzigd beoordelingskader aanleiding is om de procedure in te trekken.
Hierop heeft zowel het college als [appellant sub 2] bericht de zaak te willen doorzetten.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 8 mei 2026, waar het college, vertegenwoordigd door P.C.M. Claassen en M.J.L.W. Lamers, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.H. Diels, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
Welke regels?
1.       In deze zaak is de Wet basisregistratie personen (Wet brp) aan de orde. Het gaat vooral om de artikelen 2.8, 2.10 en 2.58 van die wet, zie de bijlage bij deze uitspraak. De mogelijkheid om een verzoek om rectificatie of wissing van de gegevens in de brp te doen, volgt uit artikel 2.58. In artikel 2.8 staat, kort samengevat, welke documenten betrokkene kan overleggen om dat verzoek te ondersteunen en in artikel 2.10 wanneer de gegevens uit de documenten niet worden opgenomen in de brp.
Waar gaat deze zaak over?
2.       [appellant sub 2] staat ingeschreven in de brp met de persoonsgegevens die zij heeft opgegeven toen zij in Nederland aankwam in 1999 en die zij heeft herhaald in haar verklaring onder ede in 2001. Volgens [appellant sub 2] zijn dat niet haar echte persoonsgegevens. Daarom heeft zij het college gevraagd om haar gegevens in de brp te veranderen. Zij heeft daarvoor een aantal documenten overgelegd. Het college vindt dat die documenten niet aantonen dat de gegevens van [appellant sub 2] in de brp onjuist zijn.
De rechtbank heeft in haar oordeel het college gedeeltelijk gevolgd en heeft [appellant sub 2] voor het overige gelijk gegeven.
In deze uitspraak beoordeelt de Afdeling of de documenten laten zien dat de gegevens van [appellant sub 2] in de brp moeten worden gewijzigd zoals zij dat wil.
Oordeel van de Afdeling
3.       De Afdeling oordeelt dat met de tot nu toe overgelegde documenten en de toelichtingen daarop geen reden bestaat om de gegevens van [appellant sub 2] in de brp te wijzigen.
De Afdeling zal hierna toelichten waarom. Zij zal eerst het hoger beroep van het college tegen de uitspraak van de rechtbank beoordelen, daarna het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] en tot slot haar beroep van rechtswege tegen het nieuwe besluit op bezwaar van het college. Maar allereerst geeft de Afdeling een overzicht van de te wijzigen gegevens en welke documenten [appellant sub 2] heeft overgelegd.
Welke gegevens wil [appellant sub 2] wijzigen en welke documenten heeft zij overgelegd?
4.       [appellant sub 2] heeft verzocht om wijziging in de brp van de volgende gegevens: haar voornaam van [voornaam A] in [voornaam B], haar geboortejaar van 1975 in 1971, haar geboorteplaats van Lisan in Ruian en haar nationaliteit van onbekende in Chinese. Verder wil zij dat in de brp als haar vader wordt opgenomen [naam vader], geboren op [geboortedatum] 1943. [appellant sub 2] heeft ook verzocht om als haar moeder, [naam moeder], geboren op 27 feb[geboortedatum] 1951 op te nemen. Inmiddels heeft [appellant sub 2] kenbaar gemaakt dat het verzoek niet langer gericht is op opname van haar vader en moeder in de brp.
5.       [appellant sub 2] heeft bij haar verzoek de volgende documenten overgelegd: een geldig Chinees paspoort, EE9608073, afgegeven op 26 juni 2019 (Chinees paspoort), haar huidige verblijfsdocument NLD89236981, afgegeven op 4 juni 2018, aanbiedingsbrief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de ambtshalve vergunningverlening in 2008, een dubbel gelegaliseerde notariële geboorteakte met nummer 1985 (notariële geboorteakte), een dubbel gelegaliseerde Household Register (gezinsregistratie) met nummer 3178 (hukou), een dubbel gelegaliseerde PSB-verklaring met nummer 3179 en een bijbehorende notariële verklaring (PSB-verklaring), een oude Chinese identiteitskaart […] (Chinese ID-kaart), afgegeven op [datum] 1989, beëdigd vertaald, een rapport DNA-onderzoek, uitgevoerd door Verilabs en een rapport eerste- en nader gehoor bij de IND.
Hoger beroep van het college en incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]
Wat hebben het college en [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank aangevoerd?
6.       Het college is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het besluit op bezwaar moet worden vernietigd. De rechtbank heeft volgens het college ten onrechte geoordeeld dat de notariële verklaring over de geboorte een brondocument is waarvan de inhoud als juist moet worden aangemerkt. De notariële verklaring is echt, maar het eigenlijke brondocument daarvoor ontbreekt. De notariële verklaring kan in dat geval geen brondocument zijn. Voor dit standpunt verwijst het college naar de bevindingen van het Bureau Documenten van de IND (Bureau Documenten). Verder heeft de rechtbank volgens het college ten onrechte overwogen dat de PSB-verklaring een brondocument is. Ook deze notariële verklaring is echt, maar het onderliggende brondocument is een kopie en niet een origineel. [appellant sub 2] had moeten aantonen dat het onmogelijk is om een origineel over te leggen en heeft dat niet gedaan vindt het college. Ook de verlopen Chinese ID-kaart is volgens het college echt. Van de juistheid van de daarop vermelde gegevens kan volgens het college echter niet zonder meer worden uitgegaan. Het college vindt de ID-kaart onvoldoende om te concluderen dat de persoonsgegevens uit de brp onjuist zijn.
7.       [appellant sub 2] komt op tegen een aantal overwegingen van de rechtbank. Zij voert over het Chinese paspoort aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen deugdelijk onderzoek is gedaan omdat zij niet haar verblijfsvergunning heeft overgelegd. Verder voert [appellant sub 2] aan dat de rechtbank ten onrechte geen bewijskracht toekent aan de hukou. Zij betoogt dat het gebruikelijk is dat de in- en uitschrijvingen in de hukou worden gedaan door de betrokkene of het gezinshoofd. De rechtbank had volgens [appellant sub 2] rekening moeten houden met het feit dat haar hukou is blijven bestaan omdat haar vertrek uit China illegaal was. [appellant sub 2] wijst er tot slot op dat een aantal gegevens van de hukou overeenkomen met die in de PSB-verklaring.
8.       De Afdeling geeft hierna eerst het algemene kader weer en zal daarna de gronden van het college en die van [appellant sub 2] daaraan toetsen.
Beoordeling door de Afdeling van de hoger beroepen
Wat beoordeelt de Afdeling?
9.       In de overzichtsuitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980 (hierna: de overzichtsuitspraak), heeft de Afdeling het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken op grond van artikel 2.58 van de Wet brp vernieuwd en gewijzigd. Bij rectificatieverzoeken moet beoordeeld worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daarmee verband houdende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van gelijke of hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, wordt het gegeven, of moeten de gegevens waar het in dat geval om gaat, in de brp gewijzigd.
Notariële geboorteakte
10.     Het college voert terecht aan dat de rechtbank aan de conclusie dat de notariële geboorteakte zelf echt is, niet het gevolg had mogen verbinden dat die akte een brondocument is.
In de overzichtsuitspraak heeft de Afdeling over notariële verklaringen het volgende overwogen. Als uit de notariële verklaring niet kan worden opgemaakt op welk onderzoek of document zij is gebaseerd en die verklaring door Bureau Documenten als echt wordt beoordeeld, betekent dat niet dat de notariële verklaring overeenkomstig plaatselijke voorschriften is opgemaakt. Een echt bevonden notariële verklaring is daarom niet zonder meer een document als bedoeld onder artikel 2.8, tweede lid, onder c.
Het standpunt van het college is dat aan de echt bevonden notariële geboorteakte geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt omdat een authentiek document over de geboorte ontbreekt en ook overigens niet duidelijk is op grond waarvan de notariële geboorteakte is opgesteld. De verkorte verklaringen van onderzoek van het Bureau Documenten van 13 mei 2020 en 3 december 2020, waarnaar het college verwijst, bevestigen dat. [appellant sub 2] heeft deze bevindingen niet bestreden. In de notariële verklaring staat alleen ‘subject of notarization: birth’. Daarin is verder niets opgenomen over het verrichte onderzoek. Het is dus niet duidelijk op grond van welke bevindingen de notariële geboorteakte is opgesteld. Daarom oordeelt de Afdeling, anders dan de rechtbank, dat het college deze notariële geboorteakte niet als brondocument hoefde aan te merken.
Het betoog slaagt.
PSB-verklaring
11.     Ook het betoog van het college over de notarieel gecertificeerde PSB-verklaring slaagt.
Partijen zijn het er over eens dat de notariële verklaring echt is en dat [appellant sub 2] alleen een kopie van de PSB-verklaring heeft overgelegd.
De Afdeling heeft in de overzichtsuitspraak geoordeeld dat van de burger kan worden verwacht dat die de originele PSB-verklaring overlegt. In de overzichtsuitspraak heeft de Afdeling uiteengezet welke stappen burgers moeten ondernemen om PSB-verklaringen aan te leveren ter onderbouwing van hun rectificatieverzoek. De burger kan twee identieke PSB-verklaringen opvragen, waarvan één door de notaris wordt gecertificeerd en ingenomen. De aanvrager kan vervolgens de originele PSB-verklaring en de notarieel gecertificeerde PSB-verklaring in kopie samen aanleveren bij het college. Een op zichzelf staande originele PSB-verklaring - dus zonder certificering door de notaris - kan niet als brondocument gelden. Het college mocht dus van [appellant sub 2] een originele PSB-verklaring verwachten. [appellant sub 2] heeft alleen in algemeenheid aangevoerd dat het onmogelijk is om een originele PSB-verklaring over te leggen. Dat is niet genoeg voor een ander oordeel. Ook het feit dat de overgelegde kopie dubbel is gelegaliseerd, is geen voldoende vervanging voor de originele PSB-verklaring.
De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de kopie van de PSB-verklaring voldoende was.
Chinese ID-kaart
12.     De echtheid van de Chinese ID-kaart uit 1989 is niet in geschil. Het college stelt echter dat er geen direct verband tussen de kaart en [appellant sub 2] is. Dat verband is er volgens het college niet omdat op de ID-kaart een ander identiteitsnummer staat dan op de andere documenten die [appellant sub 2] heeft overgelegd. [appellant sub 2] heeft toegelicht dat dat komt omdat de identiteitsnummers na het jaar 2000 zijn gewijzigd. De andere documenten, waaronder ook de hukou, dateren allemaal van na die tijd. [appellant sub 2] heeft met de uitleg inzichtelijk gemaakt hoe het komt dat de identiteitsnummers op de ID-kaart en de andere documenten verschillen. Het college heeft deze verklaringen van [appellant sub 2] niet weersproken. De identiteitsnummers van de ID-kaart en de andere documenten bevatten niet een zodanige inconsistentie dat de hierin vermelde persoonsgegevens onjuist zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1836). De Afdeling volgt daarom het oordeel van de rechtbank dat voor de verschillende identiteitsnummers een voldoende verklaring is gegeven en dat [appellant sub 2] het standpunt van het college in zoverre heeft weerlegd.
Chinees paspoort van 26 juni 2019
13.     Tussen partijen is niet in geschil dat het paspoort van 26 juni 2019 dat is afgegeven door de Chinese ambassade in Nederland echt is. Volgens het college is er geen goed onderzoek naar de identiteit van [appellant sub 2] gedaan en komt daarom aan het paspoort geen bewijskracht toe. Zij heeft namelijk niet bij de aanvraag haar verblijfsvergunning overgelegd terwijl dat volgens het Algemeen ambtsbericht China, juli 2020, wel zou moeten bij een eerste paspoort.
14.     [appellant sub 2] voert terecht aan dat zij volgens de Chinese ambassade in Nederland niet is gehouden een verblijfsvergunning over te leggen. De ambassade wijkt in zoverre af van de algemene werkwijze die in het ambtsbericht is beschreven. In het ambtsbericht staat echter ook dat dat voorkomt. Het college heeft niet gesteld dat de informatie van de website van de Chinese ambassade niet klopt. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten dat die informatie toch onjuist is. De rechtbank heeft dus ten onrechte overwogen dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden omdat [appellant sub 2] haar verblijfsdocument niet heeft overgelegd bij de aanvraag van het paspoort. Toch komt de Afdeling niet tot het oordeel dat het paspoort deugdelijk tot stand is gekomen. Dat heeft te maken met wat in het verdere verloop van deze procedure naar voren is gekomen en wat de Afdeling daarover oordeelt in deze uitspraak.
Hukou
15.     [appellant sub 2] heeft eerst een kopie en later in de procedure een originele hukou overgelegd van haar familie. Op deze hukou komen verschillende afgiftedata voor en worden verschillende lettertypes gebruikt. Volgens de hukou is [appellant sub 2] het enige kind van haar ouders en is zij in 2005 binnen China verhuisd met de kleindochter van de ouders.
Artikel 2.10, derde lid, van de Wet brp schrijft voor dat aan een geschrift, zoals de hukou, geen gegevens worden ontleend, als aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn. Volgens het college bevat de hukou gegevens die niet volgens de feitelijke situatie van [appellant sub 2] zijn. Zo ontbreken broers en zussen op de hukou terwijl [appellant sub 2] heeft verklaard die te hebben gehad, heeft zij gezegd geen kinderen te hebben en woonde zij in 2005 al enkele jaren in Nederland. De toelichting van [appellant sub 2] hoe gegevens op een hukou komen, is onvoldoende om aan te nemen dat de gegevens op de hukou van haar familie wel juist zijn. Ook als rekening wordt gehouden met het feit dat zij China niet op legale wijze heeft verlaten, blijft de daadwerkelijke samenstelling van het gezin onduidelijk. Dat de gegevens overeenkomen met die in de kopie van de PSB-verklaring helpt [appellant sub 2] niet. Aan de kopie van de PSB-verklaring komt geen bewijskracht toe zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen. De Afdeling acht dus aannemelijk dat de gegevens in de hukou niet overeenkomen met de feitelijke situatie. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de twijfel van het college of de gegevens in de hukou zien op [appellant sub 2] aannemelijk is en dat aan de inhoud van de hukou geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroepen
16.     De hoger beroepen zijn gegrond omdat de betogen tegen een aantal overwegingen van de rechtbank slagen. Het oordeel van de rechtbank dat het besluit op bezwaar van 12 augustus 2021 moet worden vernietigd en dat het college opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 2] moet beslissen, is echter juist. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat het college het andere nummer op de ID-kaart niet mocht tegenwerpen en de rechtbank heeft ten onrechte het college gevolgd in zijn standpunt dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden bij de aanvraag van het paspoort. Het college moet over deze twee onderdelen opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 2] beslissen.
Beroep van rechtswege
Het nieuwe besluit
17.     Bij besluit van 18 september 2024 heeft het college het besluit van 12 augustus 2021 vervangen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van Pro de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
18.     In dit nieuwe besluit op bezwaar heeft het college het bezwaar van [appellant sub 2] onder aanvulling van de motivering opnieuw ongegrond verklaard en de weigering in stand gehouden. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 2] niet slaagt in de identiteitsvaststelling met de overgelegde documenten.
Voor zover nog relevant heeft het college de volgende standpunten ingenomen. De ID-kaart is weliswaar een brondocument als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp maar daaraan komt volgens het college geen bewijskracht toe omdat er geen verband kan worden gelegd tussen [appellant sub 2] en de persoon op de ID-kaart. Ook het Chinese paspoort ziet het college als brondocument. Maar het college betwijfelt of een behoorlijk onderzoek voorafgaande aan de afgifte ervan correct heeft plaatsgevonden. Het paspoort heeft daarom volgens het college geen bewijskracht.
Wat heeft [appellant sub 2] aangevoerd tegen het nieuwe besluit?
19.     [appellant sub 2] is het niet eens met het besluit op bezwaar. De Chinese ID-kaart moet volgens [appellant sub 2] worden aangemerkt als aanvullend document bij de overige brondocumenten waarmee zij aantoont dat zij al voor haar komst naar Nederland gebruik maakte van deze persoonsgegevens. Over het paspoort verwijst [appellant sub 2] naar wat zij in het incidenteel hoger beroep daarover heeft aangevoerd.
20.     Twee weken voor de zitting bij de Afdeling heeft [appellant sub 2] nog een kopie van een bladzijde uit het Chinese paspoort overgelegd. Daarop staat dat het gaat om de vervanging van een paspoort.
Beoordeling door de Afdeling van het beroep van rechtswege
21.     De Afdeling beoordeelt of bij de afgifte van het paspoort goed onderzoek is gedaan naar de identiteit van [appellant sub 2]. Het college vindt van niet en heeft naar aanleiding van de nieuwe informatie over het Chinese paspoort daarover zijn standpunt op de zitting aangevuld. Het college betoogt dat de nieuwe informatie over het paspoort zijn twijfels over het onderzoek niet wegneemt. Daarvoor vindt het college van belang dat [appellant sub 2] niet eerder dan twee weken voor de zitting heeft gezegd dat zij een paspoort heeft gehad voor 2019 en in eerdere stukken in deze procedure het standpunt heeft ingenomen dat de procedure voor een eerste paspoort naar behoren is verlopen. Verder wijst het college erop dat de werkwijze van de Chinese ambassade bij vervanging van een paspoort niet inhoudt dat daarvan een aantekening in het nieuwe paspoort wordt gemaakt zoals op de overgelegde kopie is te zien. Ook ziet het college verschillen in het uiterlijk op de foto’s van het paspoort en van de ID-kaart.
De Afdeling oordeelt dat het college hiermee voldoende twijfel aannemelijk heeft gemaakt over het gedane onderzoek naar de identiteit van [appellant sub 2] bij de aanvraag voor en afgifte van het Chinese paspoort omdat niet duidelijk is geworden welke procedure is gevolgd bij de aanvraag van het paspoort. Daardoor is ook onduidelijk aan de hand van welke informatie de Chinese ambassade de identiteit van [appellant sub 2] heeft vastgesteld. Haar verklaring op zitting dat bij de Chinese overheid bekend was dat zij haar eerdere paspoort kwijt was maar dat de Chinese ambassade dat niet heeft betrokken bij de aanvraag in 2019 overtuigt niet. Volgens de door haar overgelegde kopie van de website van de Chinese ambassade moet bij de aanvraag na vermissing een toelichting worden gegeven van de situatie waardoor het paspoort vermist is geraakt. Het college zegt dus terecht dat aan het Chinese paspoort geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt.
Het college en [appellant sub 2] zijn het erover eens dat de ID-kaart uit 1989 oud is en de foto daardoor vervaagd is. Het college mocht het standpunt innemen dat dat onder meer een reden is dat er geen verband kan worden gelegd tussen [appellant sub 2] en de ID-kaart.
Omdat [appellant sub 2] verder geen brondocumenten heeft overgelegd waaraan bewijskracht toekomt en er dus geen brondocumenten zijn die haar verzoek ondersteunen, bespreekt de Afdeling niet wat [appellant sub 2] voor het overige heeft aangevoerd.
22.     Gezien het vorenstaande heeft het college terecht het verzoek van [appellant sub 2] om wijziging van haar persoonsgegevens in de brp afgewezen.
Conclusie beroep van rechtswege
23.     Het beroep van rechtswege is ongegrond.
Proceskosten
24.     Het college moet de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart de hoger beroepen gegrond;
II.       verklaart het beroep tegen het besluit van 18 september 2024 ongegrond;
III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maashorst tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
290
BIJLAGE
Wet brp
Artikel 2.8
1. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich in Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a en bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b:
a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de burgerlijke stand in Nederland;
b. een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte, een besluit, een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak of een notariële akte, over het desbetreffende feit.
2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:
a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;
b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;
c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;
e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
3. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich in Nederland hebben voorgedaan en waarvan een in Nederland geaccrediteerde consulaire ambtenaar van een ander land bevoegd een akte heeft opgemaakt die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, ontleend aan die akte.
Artikel 2.10
1. […]
2. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.
3. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
4. […].
Artikel 2.58
1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van Pro de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen.
2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.
3. Het college voldoet binnen vier weken aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en kan de termijn, voor zover noodzakelijk, met telkens acht weken verlengen, indien het verzoek gegevens over de burgerlijke staat of de nationaliteit betreft. Het college doet terstond mededeling van de verlenging aan de verzoeker.
4. Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Het college van burgemeester en wethouders doet van de uitvoering van het verzoek terstond mededeling aan de verzoeker.