202503768/1/A3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], gevestigd in Raalte, en [appellant B], wonend in Raalte (hierna tezamen in enkelvoud: [appellanten]),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 mei 2025 in zaak nr. 24/3118 in het geding tussen:
[appellanten]
en
1. de burgemeester van Raalte;
2. het college van burgemeester en wethouders van Raalte.
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2024 heeft de burgemeester een machtiging afgegeven voor het binnentreden van het pand van [appellanten] aan de [locatie] in Raalte (de machtiging).
Bij besluit van 29 maart 2024 heeft het college [appellanten] meegedeeld dat op 12 maart 2024 spoedeisende bestuursdwang is toegepast zonder eerst een last op te leggen (het bestuursdwangbesluit).
Bij besluit van 3 juli 2024 hebben de burgemeester en het college het bezwaar van [appellanten] tegen deze besluiten niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 juli 2024 vernietigd, het bezwaar tegen de besluiten van 12 maart 2024 en 29 maart 2024 ongegrond verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft [appellanten] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellanten] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 mei 2026, waar [appellanten], bijgestaan door mr. H.A. Rispens, advocaat in Hilversum, en de burgemeester en het college, gezamenlijk vertegenwoordigd door C. van de Weijer en J. Kreeft, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellanten] is eigenaar van de bedrijfshal aan de [locatie] in Raalte (het pand), waarin schoonmaakbedrijf [appellanten] is gevestigd. De gemeente Raalte heeft drie meldingen ontvangen, waaruit volgt dat in het pand illegaal arbeidsmigranten worden gehuisvest en dat zich daar ook brandgevaarlijke situaties voordoen. Op basis hiervan heeft de burgemeester de machtiging afgegeven en heeft een toezichthouder van de gemeente samen met toezichthouders van de Nederlandse Arbeidsinspectie op 12 maart 2024 een controle in het pand uitgevoerd. De toezichthouder van de gemeente heeft zijn bevindingen op 28 maart 2024 vastgelegd in een controlerapport (het controlerapport). In het controlerapport staat dat er ruimtes in het pand zijn ingericht om in te slapen en dat daarvan gebruik wordt gemaakt. Volgens de toezichthouder is dat in strijd met het geldende omgevingsplan. Ook staat in het controlerapport dat er een direct gevaar was voor de gezondheid en veiligheid van degenen die gebruik maakten van de slaapruimtes in het pand. Er is namelijk geen ventilatie met de buitenlucht, er zijn geen rookmelders en veel elektrische verwarmingen zijn werkend aangetroffen waarvan een aantal erg brandgevaarlijk stonden opgesteld, terwijl er een schoonmaakbedrijf is gevestigd. De toezichthouder heeft op 12 maart 2024 vijf kamers in het pand afgesloten en verzegeld. Met het besluit van 29 maart 2024 heeft het college dit onmiddellijk toepassen van bestuursdwang aan [appellanten] meegedeeld. Met het besluit van 3 juli 2024 hebben de burgemeester en het college het hiertegen gemaakte bezwaar van [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellanten] volgens hen geen procesbelang heeft.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester en het college het bezwaar van [appellanten] tegen de machtiging en het bestuursdwangbesluit ten onrechte niet-ontvankelijk hebben verklaard omdat [appellanten] nog wel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar tegen de machtiging en het bestuursdwangbesluit. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard en het besluit van 3 juli 2024 vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank heeft geoordeeld dat de meldingen een voldoende serieus vermoeden opleveren van een illegale situatie in het pand voor het afgeven van een machtiging. Verder heeft de rechtbank geen reden gezien om te oordelen dat het afgeven van de machtiging niet proportioneel was. Het college wilde onderzoeken of in het pand inderdaad illegaal arbeidsmigranten waren gehuisvest en of er een brandgevaarlijke situatie was. Dat het college dit via een onaangekondigde controle wilde doen, waarbij de toezichthouder ook in het pand kon controleren, acht de rechtbank daarvoor niet disproportioneel. Ook kan niet worden gezegd dat de burgemeester en het college zich in het bestreden besluit door het overnemen van het advies van de bezwaarcommissie op het standpunt hebben gesteld dat de machtiging buitenproportioneel is. Dat de bezwaarcommissie in haar advies van 25 juni 2024 in een overweging ten overvloede de vraag heeft opgeworpen of het afgeven en gebruiken van de machtiging proportioneel is, leidt niet tot een ander oordeel omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat de machtiging buitenproportioneel is. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college zich in het bestuursdwangbesluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aangetroffen gebruik van het pand in strijd is met de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en dat dat een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet oplevert. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat het college op basis van het controlerapport heeft kunnen concluderen dat [appellanten] het Besluit bouwwerken leefomgeving heeft overtreden en dat sprake was van een dusdanig gevaarlijke situatie dat daartegen direct handhavend moest worden opgetreden.
Hoger beroep
3. In hoger beroep is alleen in geschil of de burgemeester de machtiging mocht afgeven en of het college spoedeisende bestuursdwang mocht toepassen zonder eerst een last op te leggen.
4. [appellanten] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de meldingen een voldoende serieus vermoeden opleveren van een illegale situatie in het pand voor het afgeven van een machtiging om het pand binnen te treden. De meldingen waren anoniem en zijn niet aan hem overgelegd en daarmee is onvoldoende controleerbaar of er een redelijk vermoeden van een illegale situatie was op basis waarvan de machtiging kon worden afgegeven. [appellanten] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de machtiging niet voldoet aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Als de burgemeester had willen afwijken van het advies van de bezwaarschriftencommissie, die een kanttekening maakte bij de proportionaliteit van de machtiging, had hij dit beter moeten motiveren. [appellanten] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op basis van het controlerapport heeft kunnen concluderen dat [appellanten] de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving heeft overtreden en dat sprake was van een dusdanig gevaarlijke situatie dat daartegen direct handhavend moest worden opgetreden. Volgens [appellanten] was geen sprake van een dermate gevaarlijke situatie die het toepassen van spoedeisende bestuursdwang rechtvaardigde. Zo waren er geen personen in het pand aangetroffen en was er maar een beperkt brandveiligheidsrisico, aldus [appellanten].
4.1. De gronden die [appellanten] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8.3 tot en met 8.5 en 9.1 tot en met 9.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven verkort zijn weergegeven. De Afdeling voegt hier aan toe dat twee van de drie meldingen weliswaar meer dan een half jaar oud waren, maar dat de derde melding dateert van enkele weken voordat de machtiging door de burgemeester werd afgegeven. Deze meldingen hadden betrekking op het illegaal huisvesten van arbeidsmigranten en de brandveiligheid in het pand. Deze meldingen rechtvaardigden het serieuze vermoeden dat daarmee het omgevingsplan werd overtreden, ook al waren de meldingen anoniem. Omdat het om mogelijke bewoning in een bedrijfspand ging was een machtiging voor het betreden van die woonruimtes in het bedrijfspand noodzakelijk en niet disproportioneel. Het toepassen van spoedeisende bestuursdwang was in dit geval ook noodzakelijk, omdat niet alleen sprake was van het in strijd met het omgevingsplan gebruiken van het bedrijfspand voor woondoeleinden, maar ook omdat sprake was van een zodanige brandonveilige situatie dat daartegen direct handhand moest worden opgetreden.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
6. De burgemeester en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
844