AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Wijziging persoonsgegevens in basisregistratie personen toegewezen na vernietiging besluit college Midden-Drenthe
Appellante verzocht het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe om haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) te wijzigen, waaronder haar naam, geboortedatum, nationaliteit en gegevens over haar ouders. Het college wees dit verzoek af omdat niet onomstotelijk vaststond dat de huidige gegevens onjuist waren en appellante onvoldoende bewijs had geleverd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit van het college en gaf aanwijzingen voor een nieuw besluit. Het college handhaafde echter het besluit in bezwaar, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende had onderbouwd dat er geen behoorlijk onderzoek had plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van het paspoort uit 2019, dat als brondocument geldt. Tevens werd vastgesteld dat het DNA-verwantschapsonderzoek samen met het paspoort buiten redelijke twijfel de juistheid van de persoonsgegevens van appellante en haar ouders bevestigt.
De Afdeling vernietigde de eerdere besluiten van het college en de uitspraak van de rechtbank, herroept het oorspronkelijke besluit van 18 november 2021 en draagt het college op binnen vier weken de inschrijving in de brp te wijzigen conform de juiste persoonsgegevens. Tevens veroordeelde de Afdeling het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van persoonsgegevens in de basisregistratie personen wordt toegewezen en het besluit van het college wordt herroepen.
Uitspraak
202300133/1/A3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Beilen, gemeente Midden-Drenthe,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 november 2022 in zaak nr. 22/1751 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe.
Procesverloop
Bij besluit van 18 november 2021 heeft het college een verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.
Bij besluit van 13 april 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2022 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanwijzingen, gegeven in rechtsoverwegingen 14.1 tot en met 14.4 van de uitspraak. Ook heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten van [appellante] en het college opgedragen het griffierecht aan [appellante] te vergoeden.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 17 december 2024 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 18 november 2021 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 mei 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. A. Diels, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door J.L.M. van de Broek, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] staat in de brp ingeschreven als [naam appellante], geboren op [geboortedatum] 1978 in [plaats], China en met een onbekende nationaliteit. Deze gegevens zijn ontleend aan een door [appellante] afgelegde verklaring onder ede. [appellante] heeft het college op 18 juni 2021 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet brp haar persoonsgegevens te wijzigen in [andere naam], geboren op [geboortedatum] 1978 in [plaats], China en met de Chinese nationaliteit. Ook vraagt zij om aanvulling van de gegevens over haar ouders. [appellante] heeft bij haar verzoek de volgende stukken overgelegd:
1.1. Bij het besluit van 18 november 2021 heeft het college het verzoek van [appellante] afgewezen, omdat volgens het college niet onomstotelijk vaststaat dat de huidige in de brp geregistreerde persoonsgegevens onjuist zijn. Ook staat in het besluit dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de door haar overgelegde stukken op haar zien. Het college heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd.
Uitspraak rechtbank
2. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat het college het besluit van 13 april 2022 heeft genomen in strijd met artikel 3:2 enPro 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het college niet het toetsingskader uit de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, heeft toegepast. De rechtbank heeft daarom het beroep van [appellante] gegrond verklaard en het besluit van 13 april 2022 vernietigd.
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand kunnen blijven. Zij heeft het college daarom opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. In het nieuwe besluit moet het college alsnog een standpunt innemen over de identiteitskaarten met afgiftedatums 21 november 1997 en 30 juni 2000. Ook moet het college bij [appellante] navraag doen over het woonadres in China dat is vermeld in de verklaring "Certificate" en over de uitkomst daarvan een standpunt innemen. Verder moet het college bezien of er voor hem aanleiding bestaat om terug te komen van zijn standpunt over het DNA-verwantschapsonderzoek dat is uitgevoerd door Verilabs, in het licht van de door hem te maken beoordeling van de identiteitskaarten.
Besluit van 17 december 2024
3. Bij het besluit van 17 december 2024 heeft het college het bezwaar van [appellante] opnieuw ongegrond verklaard. Volgens het college is niet buiten redelijke twijfel dat uit de overgelegde documenten volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn en op [appellante] betrekking hebben.
Toetsingskader
4. In haar uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, (overzichtsuitspraak) heeft de Afdeling het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken op grond van artikel 2.58 van de Wet brp vernieuwd. De Afdeling zal voor de beoordeling van de (incidenteel) hoger beroepen uitgaan van dit vernieuwd beoordelingskader. De Afdeling verwijst voor het volledige beoordelingskader naar de overzichtsuitspraak.
Hoger beroep [appellante]
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet gehouden was om de in het paspoort vermelde gegevens in te schrijven in de brp.
Hiertoe voert ze aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat voorafgaand aan de afgifte van het paspoort in 2019 door de Chinese ambassade kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, volgt dat bij paspoorten de bewijslast niet bij de aanvrager van het paspoort ligt, maar bij het bevoegde orgaan. Het college moet ter onderbouwing van de betwisting een deskundigenadvies overleggen. Dit heeft het college ten onrechte niet gedaan. Ook voert [appellante] aan dat niet van haar kan worden verwacht dat zij motiveert waarom zij met een paspoort geldig tot 2005, of een kopie van de houderpagina daarvan, in 2019 een nieuw paspoort heeft kunnen aanvragen. Verder heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat het college van [appellante] mocht verlangen dat zij de onderliggende documenten voor de aanvraag van de paspoorten overlegt, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij dit niet kan en dit haar niet kan worden verweten. Volgens [appellante] geldt het vereiste om onderliggende documenten over te leggen niet voor paspoorten. En ondanks dat het vereiste niet geldt voor paspoorten heeft [appellante] wel degelijk het onderliggend document dat gebruikt is bij de aanvraag van het paspoort, te weten, een kopie van een oud Chinees paspoort uit 2005, overgelegd. Dit heeft de rechtbank niet onderkend, aldus [appellante].
5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het paspoort uit 2019 een brondocument is als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Dat het paspoort een brondocument is, betekent niet dat de daarin vermelde feiten zonder meer moeten worden verwerkt in de brp. De Afdeling verwijst hiervoor naar wat zij in de overzichtsuitspraak, onder 7.1, heeft overwogen.
5.2. Zoals de Afdeling onder 7.3 en 7.4 van de overzichtsuitspraak heeft overwogen geldt bij paspoorten als uitgangspunt dat in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door de bevoegde autoriteit afgegeven paspoort moet worden uitgegaan. Als het college de gegevens uit een echt bevonden paspoort niet wil volgen, zal het college aannemelijk moeten maken dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden of dat de gegevens onjuist zijn.
5.3. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van het paspoort uit 2019. Op de zitting bij de Afdeling is duidelijk geworden hoe [appellante] aan het paspoort uit 2019 is gekomen. Zij is haar eerdere paspoort uit 2005 kwijtgeraakt en heeft vervolgens met een kopie van dat paspoort een nieuw paspoort aangevraagd. [appellante] stelt dat zij alle stukken heeft overgelegd die zij conform het Ambtsbericht van China uit 2020 ter vervanging van een standaardpaspoort dat is kwijtgeraakt, moet overleggen. Het college heeft geen aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden aangedragen die aannemelijk maken dat daarbij kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Verder mag het college, gelet op de bewijslast die op het college rust, niet van [appellante] verwachten dat zij onderbouwt waarom zij met een paspoort geldig tot 2005, of een kopie van de houderpagina daarvan, in 2019 een nieuw paspoort heeft kunnen aanvragen. Verder kan het feit dat [appellante] bij haar rectificatieverzoek terugkomt van een eerder e-document door de inbreng van nieuwe documenten niet tot een ander oordeel leiden. Hoewel het invoelbaar is dat dit frustratie kan opleveren bij het college, is dit niet juridisch relevant voor de vraag of voorafgaand aan de afgifte van het paspoort kennelijk behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.
Het college heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt waarom het paspoort geen betrekking heeft op [appellante]. Dit wordt ook niet betwist door het college.
Gelet op het voorgaande, volgt uit het paspoort buiten redelijke twijfel dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn en op [appellante] betrekking hebben. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. De in het paspoort opgenomen gegevens moeten daarom in de brp worden gewijzigd. Het betoog slaagt.
Nader bewijs over de ouders: het DNA-verwantschapsonderzoek
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet het DNA-verwantschapsonderzoek heeft betrokken in haar oordeel. Uit het DNA-verwantschapsonderzoek, in samenhang bezien met de overige verstrekte documenten, volgt dat de door haar gestelde persoonsgegevens van haar ouders juist zijn, aldus [appellante].
6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de overzichtsuitspraak, onder 9, heeft de uitkomst van een DNA-verwantschapsonderzoek een aanvullend karakter ten opzichte van de gegevens uit brondocumenten. Zoals hiervoor is overwogen, is het paspoort een brondocument en volgt uit het paspoort buiten redelijke twijfel dat [appellante] de persoon [andere naam] is. Uit het DNA-verwantschapsonderzoek volgt dat praktisch is bewezen dat de persoon geïdentificeerd als [persoon A] de biologische vader is van de persoon geïdentificeerd als [appellante]. Ook is praktisch bewezen dat de persoon geïdentificeerd als [persoon B] de biologische moeder is van de persoon geïdentificeerd als [naam appellante]. Uit het paspoort en het DNA-verwantschapsonderzoek samen, volgt dus buiten redelijke twijfel dat [persoon A] en [persoon B] de ouders zijn van de persoon [andere naam].
De gegevens van de ouders van [appellante] moeten in de brp worden aangevuld. Het betoog slaagt.
Incidenteel hoger beroep college
7. Omdat het hoger beroep van [appellante] gegrond is en het verzoek om wijziging van haar persoonsgegevens al op basis van het overgelegde paspoort moet worden ingewilligd, wordt niet toegekomen aan het incidenteel hoger beroep van het college. Het incidenteel hoger beroep is alleen al daarom ongegrond.
Conclusie
8. Het hoger beroep van [appellante] is gegrond en het incidenteel hoger beroep van het college is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Bij het besluit van 17 december 2024 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het door [appellante] gemaakte bezwaar. Omdat dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is door de vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen. Daarom zal de Afdeling dat besluit vernietigen. De Afdeling vernietigt ook het besluit van 13 april 2022.
9. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 18 november 2021 te herroepen. De juistheid van de in het paspoort uit 2019 vermelde persoonsgegevens is buiten redelijke twijfel vast komen te staan. Ook de gestelde persoonsgegevens van de ouders van [appellante] zijn buiten redelijke twijfel vast komen te staan. De Afdeling zal het college opdragen om de bestaande inschrijving binnen vier weken na verzending van deze uitspraak in de brp te wijzigen zoals hierna bepaald. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.
10. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 november 2023 in zaak nr. 22/1751;
IV. verklaart het beroep gegrond;
V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe van 17 december 2024, kenmerk 298674;
VI. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe van 13 april 2022, kenmerk 2465779;
VII. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe van 18 november 2021, kenmerk 2251987;
VIII. draagt het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe op om binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak de bestaande inschrijving van [naam appellante] te wijzigen in: [andere naam], geboren op [geboortedatum 1978] in [plaats], China en met de Chinese nationaliteit, en van wie de moeder is [persoon B], geboren op [geboortedatum] 1947, en van wie de vader is [persoon A], geboren op [geboortedatum] 1947;
IX. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
X. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe tot vergoeding van bij [naam appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 6.020,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
XI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe aan [naam appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.