ECLI:NL:RVS:2026:3697
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek opheffing inreisverbod door Raad van State
De minister heeft op 17 oktober 2024 een verzoek tot opheffing van het tegen appellant uitgevaardigde inreisverbod afgewezen. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 5 juni 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat uit het arrest Kühne&Heitz NV van het Hof van Justitie vier cumulatieve voorwaarden volgen waaronder een bestuursorgaan een definitief besluit kan herzien. Het betoog van appellant dat niet aan alle vier voorwaarden voldaan hoeft te zijn, werd verworpen. Daarnaast oordeelde de Afdeling dat de overige grieven van appellant geen aanleiding geven tot vernietiging van de uitspraak, mede omdat deze geen vragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van J.C.A. de Poorter op 24 juni 2026.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod en verklaart het hoger beroep ongegrond.