ECLI:NL:RVS:2026:3698
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsdocument EU/EER en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, welke aanvraag door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 30 november 2021 werd afgewezen. Na bezwaar en beroep verklaarden de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak het beroep ongegrond.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank de weigering van het verblijfsdocument en de verblijfsvergunning terecht had getoetst aan artikel 8 EVRM Pro en dat de vermeende schending van het recht om te worden gehoord niet tot nietigverklaring van het besluit leidde. Prejudiciële vragen over EU-recht werden niet gesteld omdat deze niet noodzakelijk waren voor de uitspraak.
Appellant vorderde daarnaast een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling stelde vast dat de totale procedure met zes maanden was overschreden, waarvan drie maanden aan de minister konden worden toegerekend. De schadevergoeding werd forfaitair vastgesteld op €500, waarvan €250 ten laste van de minister van Asiel en Migratie en €250 ten laste van de minister van Justitie en Veiligheid.
De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank, wees het hoger beroep af, kende de schadevergoeding toe en veroordeelde beide ministers tot betaling van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. J.H. van Breda.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verblijfsdocument bevestigd, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.