ECLI:NL:RVS:2026:3701
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan in hoger beroep
Appellant werd bij besluit van 19 november 2024 door de minister van Asiel en Migratie vastgesteld dat hij geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat op 22 april 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 24 november 2025 het beroep eveneens ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Ook zijn er geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen.
Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigt zij de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Raad van State op 26 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.