ECLI:NL:RVS:2026:3707

Raad van State

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
202601229/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.M. Kaajan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 lid 3 Invoeringswet OmgevingswetAlgemene wet bestuursrecht artikel 8:81Wet ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan Attero 2023 voor stortterreinverhoging

De raad van de gemeente Voorst stelde op 23 februari 2026 het bestemmingsplan "Attero 2023" vast, dat voorziet in een verhoging van het stortterrein De Sluiner van circa 31 meter naar ongeveer 46,5 meter om extra stortcapaciteit mogelijk te maken. Verzoekers, wonend op circa 600 en 900 meter afstand, vreesden onomkeerbare overlast zoals brandgevaar, geurhinder, verslechtering van het uitzicht en meer verkeer.

Zij verzochten de voorzieningenrechter om het plan te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het recht van voor 1 januari 2024 van toepassing is vanwege het ter inzage leggen van het ontwerpplan in december 2023. De voorzieningenrechter voerde een belangenafweging uit waarbij het zwaarwegende belang van Attero B.V. bij het in werking treden van het plan werd afgewogen tegen de belangen van verzoekers.

De voorzieningenrechter concludeerde dat de visuele en andere hinder voor verzoekers de komende jaren beperkt zal zijn, dat de maximale storthoeveelheid per jaar niet toeneemt en dat het plan geen onaanvaardbare verkeersgevolgen veroorzaakt. Ook werd meegewogen dat het plan positieve landschappelijke inpassingen en tunnelcompostering mogelijk maakt. De ophoging kan bovendien ongedaan worden gemaakt.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en hoefde de raad geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan Attero 2023 wordt afgewezen.

Uitspraak

202601229/2/R4.
Datum uitspraak: 25 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend in Wilp, gemeente Voorst,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Voorst,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2026 heeft de raad het bestemmingsplan "Attero 2023" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] beroep ingesteld.
[verzoeker A] en [verzoeker B] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoeker A] en [verzoeker B] en Attero B.V. hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 18 juni 2026, waar [verzoeker A] en [verzoeker B], bijgestaan door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door Y. Elbousaily en L. Nijman, zijn verschenen. Verder is op de zitting Attero B.V., vertegenwoordigd door mr. R.J. de Heer en mr. N. Kusters, beiden advocaat in Den Haag, mr. M.G. Rademakers, [gemachtigde B] en [gemachtigde C], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 28 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Stortterrein De Sluiner in Wilp wordt door Attero B.V. geëxploiteerd. Ten tijde van het besluit van 23 februari 2026 was er op het stortterrein nog een resterende stortruimte van ongeveer 0,4 miljoen m3. Attero B.V. is voornemens om nog circa 3 miljoen m3 extra toe te voegen aan de stortcapaciteit. Om deze extra stortcapaciteit te kunnen realiseren voorziet het bestemmingsplan "Attero 2023" in een verhoging van het stortterrein van de huidige circa 31 m, naar ongeveer 46,5 m.
[verzoeker A] en [verzoeker B] wonen in de omgeving van het stortterrein op een afstand van ongeveer 600 m en 900 m en ervaren overlast van de werkzaamheden die uitgevoerd worden op het terrein van Attero B.V..
Verzoek
3.       [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben de voorzieningenrechter verzocht het plan te schorsen omdat zij vrezen dat de extra stort van afval onomkeerbaar is en zij grotere, eveneens onomkeerbare, overlast zullen ervaren door het plan. Zij vrezen voor brandgevaar, een verslechtering van het uitzicht, geurhinder en een toename van het verkeer.
4.       [verzoeker A] en [verzoeker B] voeren in beroep, onder meer, aan dat de landschappelijke effecten onvoldoende zijn onderzocht, dat onvoldoende bescherming tegen geurhinder wordt geboden en dat nieuwe geurbronnen onvoldoende zijn onderzocht, dat sprake is van landschappelijke aantasting, dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieven en bovendien te weinig participatie heeft plaatsgevonden.
De door [verzoeker A] en [verzoeker B] aangevoerde gronden zullen worden behandeld in een nog te volgen bodemprocedure en zullen hier dan ook niet worden behandeld. De voorzieningenrechter zal het verzoek beoordelen aan de hand van een belangenafweging. De voorzieningenrechter zal daarom de belangen van [verzoeker A] en [verzoeker B] enerzijds en die van de raad en Attero B.V. anderzijds wegen.
Belangenafweging
5.       De voorzieningenrechter ziet gelet op de bij het besluit betrokken belangen geen aanleiding tot toewijzing van het verzoek en overweegt daartoe het volgende.
Attero B.V. heeft een zwaarwegend belang bij het in werking treden van het bestemmingsplan omdat de in het hiervoor geldende bestemmingsplan toegestane storthoogte bijna volledig is opgebruikt. Daar staat tegenover dat [verzoeker A] en [verzoeker B], gelet op de afstand van hun woningen tot de stortlocatie, de eerstkomende jaren visueel weinig tot geen verandering zullen zien aan de al bestaande stortlocatie. Binnen enkele jaren na inwerkingtreding kan en zal de volledige storthoogte niet worden bereikt. De ophoging van deze stortplaats zal namelijk geleidelijk gaan.
Verder is evenmin gebleken dat de reeds bestaande gevolgen voor [verzoeker A] en [verzoeker B] zodanig zullen veranderen dat overgegaan dient te worden tot toewijzing van het verzoek. De meeste hinder van de werkzaamheden van Attero B.V. ervaren [verzoeker A] en [verzoeker B] vanwege reeds in het bestemmingsplan "VAR 2013" voorziene (gebruiks)mogelijkheden die voor de gronden het dichtst bij de woningen van [verzoeker A] en [verzoeker B] met dit plan niet veranderen. In zoverre leidt het besluit van 23 februari 2026 niet tot een wijziging van de planologische mogelijkheden, nog daargelaten dat schorsing van het bestemmingsplan alleen zou betekenen dat het bestemmingsplan "VAR 2013" zou herleven. Daarnaast is van belang dat de maximale hoeveelheid door Attero B.V. per jaar te storten afval is vastgelegd in de vigerende omgevingsvergunning-milieu. Het bestemmingsplan leidt daarmee niet tot een toename van verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Ook in dat opzicht veroorzaakt het bestemmingsplan dan ook geen onaanvaardbare gevolgen door verkeersbewegingen voor het woon- en leefklimaat van [verzoeker A] en [verzoeker B]. Verder acht de voorzieningenrechter ook van belang dat bij een schorsing van het plan niet zal worden gestart met de in het plan voorziene landschappelijke inpassing en de bouw van de tunnelcompostering terwijl dat ontwikkelingen zijn die leiden tot positieve gevolgen voor de omgeving rondom de stortplaats, en daarmee ook voor [verzoeker A] en [verzoeker B]. Attero B.V. heeft ter zitting nogmaals bevestigd dat de landschappelijke inpassing en tunnelcompostering onafgebroken zullen worden gerealiseerd, ook vanwege de door haar in een anterieure overeenkomst aangegane verplichtingen. Tenslotte kan, zoals Attero B.V. op de zitting heeft bevestigd, de ophoging ongedaan gemaakt worden door het gestorte afval weer af te graven en af te voeren.
Slot en conclusie
6.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
7.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Kaajan
voorzieningenrechter
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026
700