ECLI:NL:RVS:2026:3709

Raad van State

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BRS.25.001273
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering risico terugkeer Libië

De minister van Asiel en Migratie wees op 3 september 2024 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, legde een inreisverbod op en beval onmiddellijke vertrek uit de EU. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank, die op 3 september 2025 het besluit vernietigde vanwege onvoldoende motivering omtrent het risico bij terugkeer naar Libië, met name in het licht van artikel 3 EVRM Pro.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen van recht oplevert die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin betreffen, noch vragen over Unierecht. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat de minister onvoldoende rekening hield met de individuele situatie van betrokkene en relevante landeninformatie.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hiermee blijft het besluit van de rechtbank in stand en moet de minister een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond wegens onvoldoende motivering van het terugkeerbesluit.

Uitspraak

BRS.25.001273
Datum uitspraak: 29 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 september 2025 in zaak nr. NL24.34670 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 3 september 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en een besluit tot signalering opgelegd.
Bij uitspraak van 3 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover dat gaat over artikel 3 van Pro het EVRM, het terugkeerbesluit, het inreisverbod en het besluit tot signalering, en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Jankie, advocaat in Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zijn standpunt, dat betrokkene bij terugkeer naar Libië geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM, ondeugdelijk heeft gemotiveerd en onzorgvuldig heeft voorbereid. De minister heeft in zijn beoordeling onvoldoende rekening gehouden met de individuele situatie van betrokkene, gelet op zijn verklaringen en de daarvoor relevante landeninformatie.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026
1028